Posts tonen met het label Witvleugelstern. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Witvleugelstern. Alle posts tonen

maandag 1 oktober 2018

Witvleugelstern, vuurwants en resedawitje




Ik zag de kleine zilverreiger weer in de Oude Waal zitten. Daar was ik eigenlijk niet zo blij mee. Géén foto's schieten van deze vrij zeldzame verschijning kun je natuurlijk niet maken. Maar ik had er een paar dagen eerder al 327.624 geschoten! (Zie het vorige bericht.) Gelukkig vloog hij op toen ik zijn richting op wandelde en hoefde ik alleen maar een paar vluchtfoto's te maken.







De blauwborst zat nog steeds op dezelfde plek in de Oude Waal. Vorige keren vergezeld door achtereenvolgens een oeverloper, drie watersnippen en een blauwe reiger. Nu zit er een witte kwikstaart naast hem.

Een paar dagen later zag ik in Waterrijk Oost een bruin vogeltje met een oranje staart het riet in duiken. Wordt dat mijn allerlaatste 2018-blauwborstwaarneming? Als ik er hieronder niet meer over begin dan is het antwoord ja.






Ik had ‘m al eens in zomerkleed als zwart stipje hoog in de lucht gezien. Maar dat was net buiten mijn vogelwerkgroepgebied. Dus hij voelde nu toch nog een beetje lifer-achtig aan. Samen met drie juveniele zwarte sterns vloog deze zeldzame witvleugelstern boven een plas in Milsbeek. Continu in hoog tempo zwaaiend en zwierend door de lucht. Jagend op insecten. Mede door de flinke afstand kreeg ik er met geen mogelijkheid een fatsoenlijke foto van geschoten. Dus ik heb maar wat collages gebrouwd van de onscherpe plaatjes. Dan lijkt het nog een beetje ergens op. Het was overigens een twitch. Zelf had ik er zonder twijfel een vierde zwarte stern van gemaakt. Met een minder zwart petje.




Een juveniele putter heeft nog niet zo'n herkenbaar rood duivelsgezichtje. Maar wel z'n mooie geel-zwarte vleugels.





Prachtigmooie enge insecten voor m'n deur! Een dag eerder moest ik mijn fietsband oppompen. En trapte ik — ik durf het haast niet te zeggen — een wesp dood, die vlak in de buurt van het ventiel op de grond zat. De een zijn dood... Echt heel mooi, die Afrikaanse maskers die ze op hun rug dragen. Na het googelen van 'rood-zwarte wants' kwam ik razendsnel achter hun naam. Vuurwantsen. Op de tweede foto zitten ze op een vermoedelijk neussnotje.




- Heb jij je visarend dit jaar al? 
- Ja, toevallig vorige week. Mooi kunnen zien, Mars!
- Ik moet 'm nog. Ben al tevergeefs wezen zoeken in de Ooijpolder en de Millingerwaard. Volgende week heb ik een verjaardag vlakbij de Liendense waard. Met een beetje — of een heleboel — geluk zie ik 'm daar. Gisteren zat er nog een in de Bemmelse polder, zag ik op waarneming.
- Hé, wat vliegt daar...?

Zo ging het echt! Met dank aan J., die het zwarte stipje ver weg in de lucht ontdekte en ter plekke tot visarend determineerde.




Altijd grappig om te zien hoe patrijzen zich plat tegen de grond drukken als er iemand in de buurt komt. (Ik bijvoorbeeld.) Alleen één ouder steekt stiekem zijn kopje omhoog om de boel in de gaten te houden. En het zijn/haar kinderen te melden als de kust veilig is. Zes stuks zaten er.



Een groep lepelaars in de (opgedroogde) Oude Waal is niks bijzonders. Maar nu telde ik er zevenennegentig. En ik geloof niet dat ik er eerder zo'n groot aantal heb gezien. (Een andere vogelaar telde er die dag honderdachtentwintig!)




En ja hoor; hij zat er weer. Vriend blauwborst. Op het moment van schrijven (17-09-18) ben ik de laatste vogelaar die deze vogel op waarneming.nl heeft gemeld. Grappig als ik dat zou blijven. Maar met de titel laatste 2018-blauwborstwaarnemer van de vogelwerkgroep zou ik ook dik tevreden zijn.

(Ja, ik zie ook wel in hoe triviaal dit is. Maar elke kans om mijn leven op te leuken met stomme dingetjes pak ik met beide handen aan.)

01-10-18: wel de laatste melder in het vogelwerkgroepgebied. In heel Nederland is hij op dit moment nog zo'n acht keer gezien.





Weer een paar dagen later. Op weg naar de Millingerwaard. Ik hoopte even op een smelleken want die schijnen niet zo heel schuw te zijn. Meen ik ooit gelezen te hebben. Maar het was een heel mooi poserend juveniel mannetje torenvalk.




Laat ik dan toch maar weer even naar dat zeer zeldzame resedawitje zoeken. Voor het betere paasei-zoekgevoel. Na zo'n tien minuten fladderde hij in hoog tempo aan me voorbij. Ik erachteraan. Rennend met lopende camera. Over moeilijk toegankelijk terrein. Voordat-ie voorgoed uit beeld verdween heeft-ie ongeveer 0,12 seconden stilgezeten. Dus verder dan wat onscherpe screenbewijsshotjes ben ik niet gekomen. (Links van hem zit een kleine vuurvlinder.)




Een sprinkhaan met blauwe vleugels leek me wel bijzonder. Ook maar even vastgelegd. Zijn naam is... blauwvleugelsprinkhaan. Elders in Nederland een zeldzaamheid. Maar in ons gebied is-ie niet roodbeletterd op waarneming.nl. (Die blauwe vleugels zie je alleen als hij springt/vliegt.)




Mijn camera stond nog in de twee-seconden-zelfontspannerstand, waardoor ik geen tijd kreeg om deze plots opduikende, libel-oppeuzelende boomvalk fatsoenlijk te fotograferen. Ik kreeg hem (@#&%!) ook niet scherp toen hij op slechts een paar meter afstand over me heen vloog.







Maar je hoort mij niet klagen; achter de boomvalk zag ik nóg een roofvogel vliegen. En die kreeg ik wel aardig in beeld!



Kijk, toch nog een paapje van behoorlijk dichtbij. Zomaar op een donderdagse avond.



Eerst had ik hem op bijna ooghoogte, op slechts een paar meter afstand prachtig vliegend in beeld. Als zwarte vlek, recht tegen de zon... Met de zon in mijn rug liet hij zich ook mooi bekijken maar wel een stuk hoger en verderop. Ik plaats de torenvalkfoto toch want hij trekt wel een heel leuk verbaasd gezichtje tijdens het bidden. "Staat die gozer er nou nog?!"





Ze zaten héél ver weg. Maar hoe vaak krijg je nu een onscherpe ijsvogel, aalscholver en havik op één foto? (De onderste.) De plek werd me getipt door M., vader van H.




In Waterrijk Oost stond het water behoorlijk hoog. Op een vijftal watersnippen en één kemphaan na kwam ik er geen echt leuke steltlopertjes tegen. Wel heel veel kieviten en grauwe ganzen. Doorgefietst naar het nog lang niet zo ver ontwikkelde Waterrijk West. Daar had ik meer succes met oeverlopers, witgatjes en twee juveniele groenpootruiters.










Hoofddoel van deze dag was een plaatje van een tapuit. En dat lukte me beter dan ik had durven hopen. Kwestie van heel langzaam steeds iets dichterbij sluipen. Ze was overigens niet buitengewoon schuw dus ik denk dat ze me als een stuk vee zag. (Beter dan een stuk ongeluk.)





Ook wat ringmussen meegepikt. Die had ik nog niet op m'n Arnhemse levenslijst staan.





Deze jongen zat er ook. Ik noteerde hem als 'Nachtvlinder onbekend'. Het blijkt een (echt) gamma-uil te zijn.




Kemphaantje. Die heb ik hier (terug in Oost) regelmatig gezien. Maar nog nooit in vlucht gefotografeerd.




Ik probeer al een tijd van alle door mij waargenomen vogelsoorten een foto te maken. Laat de pimpelmees nou tot nog toe de dans ontsprongen zijn! Afgelopen zaterdag kreeg ik hem aardig in beeld en schoot ik wat plaatjes. Eerst was-ie nog wat verlegen...




Maar na een tijdje liet hij zich leuk zien. Ik blijf het een beetje een Tokkie-vogel vinden. Zijn kleuren doen me altijd aan zo'n lelijk jarentachtigtrainingspak denken.




Nog een tapuit. Maar nu op Nijmeegs grondgebied. (Dan is-ie toch gelijk een stuk mooier.)






"Ik kon mezelf van onder af weerspiegeld zien in zijn pupillen!" Antwoord op de vraag van J. of mijn close-up-foto van het smelleken, die bijkans een kilometer verderop in een boomtop zat, gelukt was.

Wat viel dát tegen zeg! Trektellen op het Maldens vlak. Mijn toch al karige trektelvogelkennis was zo goed als geheel in het niets opgelost. Ik bakte er niks van. Een echte trekteller zie ik mezelf dus niet meer worden. Er vlogen ook maar weinig (zichtbare) vogels over. Nou ja, het lekkere weer en het smellekenbewijsplaatje maakte veel goed. Volgende keer een rode wouw!








Een mannetje en een vrouwtje had ik al waargenomen. Afgelopen zondag kreeg ik een juveniel te zien. Nu alleen nog een grauwe-klauwier-ei en m'n kwartet is compleet.




Toen de klauwier er tijdelijk van tussen was, richtte ik me maar even op een icarusblauwtje vlak in de buurt.





We gaan eruit met toch maar weer een watersnipfoto. Op flinke afstand, maar zijn kleed heb ik niet eerder zo duidelijk kunnen vastleggen.

woensdag 30 mei 2018

Witvleugelstern



Een van de blauwe-reigernesten in de Bemmelse polder. Ik kon niet zien of er al jongen in het nest zaten.




Een jonge witte kwikstaart in het zonnetje.



Bij deze foto moet ik aan het werk van Giorgio Morandi denken. Alleen schilderde die liever potten en flessen en (bij mijn weten) geen onscherpe boerenzwaluwen. Wat een mooie mantels dragen die vogels, hè?






Haas met paniekoog.





Normaal gesproken zie en vooral hoor je veldleeuweriken eindeloos, torenhoog in de lucht zingen. Dit exemplaar zocht het wat lager op. En was in het avondlicht prachtig te bekijken. Én beluisteren. Dat eindeloze zingen doen ze blijkbaar ook vanaf de grond. Weer wat geleerd.


Hoe hij klinkt? Luister maar een stukje. Heerlijk lentegeluid.




De vlakbij vertoevende blauwborst liet zich minder goed bekijken. En kwam qua volume nauwelijks boven de zingende veldleeuwerik uit.





Hoe gaat het met de zwarte sterns? Nou goed. Volgens mij. In de tijd dat ik er was werd er niet meer gepaard. Maar sommige vogels leken al in broedhouding op het nest te zitten.





Hier en daar bracht een mannetje een ondefinieerbaar glibberdingetje voor een vrouwtje mee. En op een enkel nest kon ik al een ei ontwaren. Voor de cijferliefhebbers: er liggen zesendertig nestvlotjes in de Oude waal. Ik had niet het idee dat ze allemaal bezet waren. Van het zestal vlotjes in de nieuwe geul verderop werd vooralsnog geen gebruik gemaakt.






In het jaar van de huiszwaluw werd het toch eens hoog tijd om deze metselende vogeltjes eens goed te bestuderen. Normaal gesproken moet je dan met je verrekijker voor iemands huis gaan staan. Om ze onder de dakgoot bezig te zien. Een ongemakkelijke situatie. Verder dan schielijk langs zo’n huis fietsen en heel snel even verrekijken ben ik nooit gegaan. Als ik de huiszwaluwexcursie van een paar jaar terug niet meetel. Nu nestelt er echter een grote kolonie op een van de bruggen bij Lent. Ideaal om ze eens uitgebreid te bekijken. En fotograferen.






Aan de oever werd modder verzameld voor hun omgekeerde kleihutjes.




Als kleine balletjes wordt de klei in hun snavel vervoerd. Het bezorgt je een moddersnuit. Maar je slaat er geen modderfiguur mee. En zo’n moddermasker houdt je gezicht jong en rimpelvrij. (Help me herinneren dat ik deze grappen schrap en iets beters moet verzinnen.)




Toen ik begon met vogelen vond ik het buitengewoon moeilijk om de verschillende soorten zwaluw uit elkaar te houden. Ook al zijn het er maar vier. (Ik tel de nachtzwaluw niet mee. Maar dat is ook eigenlijk geen zwaluw. De gierzwaluw ook niet. Maar die tel ik lekker inconsequent wél mee.)





Had iemand me toen gezegd dat de huiszwaluw ook wel vliegende orca wordt genoemd dan had ik hem een stuk sneller kunnen thuisbrengen.





De witte stuit is ook een goed herkenningspunt.






Vooral met goed weer is het hartstikke druk in de Lentse waard. Maar ik ga die buitengewoon leuke vogeltjes zeker nog eens bekijken. Dan bén ik maar een raar figuur met een fotocamera aan het water.








Door naar Waterrijk-Oost. Daar voerden wat karperachtige vissen een waterballet op. (Of ze zaten gewoon lekker te paaien. Met z’n drieën.)





In deze tijd zie je overal jonge vogels. Deze meerkoeten zijn al wat ouder en een stuk minder afstotelijk dan die op de foto van vorige week.





Drie ‘lelijke jonge eendjes’. (Knobbelzwanen, ja.)


























Jonge kluten hebben gelijk al zo’n grappig opgewipt snaveltje.




Ontzettend felle vogels trouwens, die kluten. Kraaien, meeuwen, buizerds... ze jagen er fel en onbevreesd achteraan. Op de een of andere manier had deze kluut het op een vrouwtje wilde eend voorzien. Terwijl ik geen jongen in zijn buurt zag die hij moest beschermen.
 



De wilde eend had wel jongen. Eendje zwom er voor haar. De anderen zwommen aan de andere kant van het gaas. De moeder zocht wanhopig naar een opening. Of ze die gevonden heeft weet ik niet. Ze raakte uit beeld toen ik vogelgraaf R. tegenkwam. Die mij een tweetal temmincks strandlopers aan de andere kant van de A325 tipte.





En die een tijdje later opgewonden achter mij aan kwam fietsen omdat hij zojuist een bijzondere stern had gezien. Samen met wat andere vogelaars bij de vogelwand probeerden we hem terug te vinden. Heel hoog in de lucht zag ik een zwarte stern ‘waar iets mee was’. Witvleugelstern! Nieuwe Gelderse vogel! 





R. wist nog aardige foto’s van de vogel te maken. Maar mijn camera weigert zwarte stipjes hoog in de lucht scherp te stellen. Dus voor mij zat er geen bewijsplaatje in. Helaas liet de stern zich daarna niet meer zien.





Door naar de temmincks strandlopers. Een week eerder voor het eerst gezien. En gelijk kondigden de twee volgende zich al aan.







Ze lieten zich goed bekijken. 






Blijkbaar zijn ze geen mensen gewend. Want behalve een argwanende blik die ik toegeworpen kreeg, trokken ze zich niks van de fotograferende slijksluiper aan.







Bovenaan dit bericht kon ik geen jongen ontdekken op de nesten van de blauwe reigers in de Bemmelse waard. Nu lieten ze zich goed bekijken. En nee, ik ben niet in die metershoge boom geklommen. Ik zat gewoon op de dijk te telelenzen over een grote plas water heen. 




Aan het eind van het wandelpad richting kijkwand, in het Waterrijk-Oost, herkende ik de silhouetten van twee patrijzen. In Arnhem zijn die al roodbeletterd. Bij ons in Nijmegen (nog) niet. Tijdens het schieten van dit ver-weg-bewijsplaatje hoorde ik opeens op een paar meter afstand naast mij de onmiskenbare zang van een... een... Verdraaid, hoe heet die vogel ook alweer? Ik kom er even niet op. Maar blij verrast dat ik was!

De patrijzen maakten een schriksprongetje toen een zwarte kraai ze kwam vergezellen en snelden het struweel in. Toen ik even later hun richting op was gewandeld en stopte om naar een bosrietzanger te luisteren, schoten ze opeens vlak voor m'n neus als een raket de lucht in. Waarbij ik me, behalve dat ik me wild schrok, ook afvroeg hoe die vogels op précies hetzelfde moment met zo'n enorme vaart kunnen opvliegen.


Zó'n lastig te fotograferen vogel. Mannetje rietgors. Negen van de tien keer wordt zijn kop één grote zwarte vlek. Nu zie je z'n oog, met glimlicht, en zelfs wat details op zijn vogelgezichtje. Zo'n diagonaaltje prikkeldraad vind ik ook wel wat hebben. Al heb ik bij foto's maken altijd het liefst dat de vogel op iets zit waar je hem normaal gesproken nooit op ziet. Gek genoeg willen de meeste natuurfotografen juist een foto zonder menselijke attributen. Met als gevolg hele rijen met elkaar inwisselbare foto's.



Ik dacht dat jonge meerkoeten lelijk waren. Maar ooievaarsjongen doen er niet voor onder. Hier zitten ze met opengesperde snavels tegen de warmte (dertig graden!) in de schaduw van pa of ma. Die zijn/haar snavel ook wijd open had staan.
BewarenBewaren