vrijdag 31 januari 2020

Mooiste waarnemingen 2019




Ik kijk er zelf van op. Toch nog maar liefst negen Gelderse lifers dit jaar. En dan tel ik de lifers onder de (nacht)vlinders, libellen en sprinkhanen niet eens mee. En ik maar denken dat de nieuwe vogels onderhand wel op zouden zijn. Deze waren nieuw voor mij (soms heel gewoon, als je ook buiten Nijmegen vogelt en soms heel zeldzaam): kleine rietgans, rotgans, hop, zwarte wouw, steenloper, breedbekstrandloper, morinelplevier, kwak en parelduiker
O ja, en een grijze wouw! Bijna vergeten omdat hij zich net buiten het werkgebied bevond. Ik heb ze hieronder allemaal een beetje snel en lukraak door elkaar gepost. Want ik begin steeds meer last te krijgen van tijd tekort. In totaal zag ik in 2019 honderdnegentig verschillende vogels. En dan tel ik de exoten (fazant, nijlgans) niet mee.

Edit: Het bokje waar ik toch maar een witgat van maakte, heb ik na een gesprek met een profivogelaar toch weer teruggedraaid naar een bokje. Kan haast niet anders. Daarmee zou mijn totaal dus op honderdeenennegentig komen.




Gelijk al op de eerste dag van het nieuwe jaar een hier zeldzame, zelfontdekte lifer bij de kladden. Zes stuks maar liefst. Wat behoorlijk bijzonder is in ons werkgebied. Vooral nu je ze steeds minder ziet. Kleine rietganzen. (Roze poten!)




Drie geoorde futen én een roodhalsfuut in één beeld. Dat zijn de betere zeldzaamheidswaarnemingen.




Een vrij gewoon vogeltje, de geelgors. Maar het blijft voor mij een favoriet. En zoveel bij elkaar als hier had ik er nog nooit gezien.




Dit vrouwtje middelste zaagbek verbleef begin januari nog eventjes in de Bisonbaai.




Dit jaar heb ik (bijna) alle Turkse tortels die ik tegenkwam op waarneming.nl ingevoerd. Dat leek me leuk en interessant. Uiteindelijk heb ik ze veertig keer gezien. Meestal een of twee exemplaren. Het hoogste aantal was slechts vier stuks bij elkaar. Er zullen ook wel wat dubbele waarnemingen bij zitten.




Hoe vaak ik deze Kraaijenbergse-Plassen-roodkeelduiker wel niet gedipt heb... Dit jaar werkte hij precies één keer mee.




De roodhalsfuut liet zich een stuk makkelijker bekijken.




Ik kon het nauwelijks geloven. Maar tijdens mijn jacht op grote barmsijzen vloog er héél hoog in de lucht een grote groep kraanvogels over. 






En de grote barmsijzen zaten er ook. Linksboven een sijsje.




Ook veel appelvinken in 2019.




En héél veel kepen. Die wel raad wisten met onze beukennootjes.




Steeds minder zeldzaam. Maar wel leuk als er je er een aan het vogelgraferen bent, terwijl er een tweede achter hem langs in beeld klimt. Middelste bonte specht.




2019 was goed voor slechts één (vrouwtje) topper.




Jaarlijkse zeldzame verschijning. Meestal ook in mijn kijker; de roodhalsgans.




Twee torenvalken vieren de lente. Mooie toevalstreffer.




Mijn derde lifer; eerdere jaren verschillende keren gedipt. Rotgans.




Rouwkwikstaart. Landde heel even een paar meter voor me. Uiterst sympathiek van deze mooie jongen. Tijdens de presentatie van het visueel jaaroverzicht van de vogelwerkgroep werd er enige twijfel opgeworpen of-ie wel 100% rouw was. Omdat je ook wat grijze vlekjes op z'n rug ziet. Ik zeg ja!




Voor een plaatje van deze beflijster moest ik flink meer moeite doen.




Ook in 2019 liet mijn grote vriend de zeearend zich aan mij zien. Hij wordt steeds vaker in ons vogelwerkgebied gezien. We hopen vurig op een broedgeval...




Arnhems baardmannetje. Niet ver van hem vandaan zelfontdekte ik een roepende bladkoning. Samen met collega L. Zelfs voor hem was het een vreugdemomentje. Maar dan vooral omdat hij mijn blije gezicht zag. Van het vogeltje had hij nog nóóit gehoord.




Tijd voor een plas of een kop koffie. Niet te lang wegblijven want ik ga zo weer verder.




Met lifer nummer 4: hop




En in het weiland naast hem: Noordse kwikstaart...




...én een Engelse kwikstaart. We kunnen wel spreken van een topvogeldag.




Pontische meeuw geniet van een ontbijtje.




Lifer 5: zwarte wouw in de Gendtse polder. 




Verdikkie, wat was dit ook alweer? O ja, drieteenstrandloper. Met achter hem een... oeverloper.




Mooi poserend mannetje koekoek.




Een van mijn favoriete 2019-foto's. Bijzonder omdat grote zaagbekken normaal gesproken vertrokken zijn voordat hier het broedseizoen begint. Dit vrouwtje zwom op 4 mei nog rond.




Prachtige foto van een snor. Heus.




Heel kortstondig gezien; mijn allereerste steenloper. (Al jaren niet meer aan de kust geweest.)




Op hetzelfde eilandje bivakkeerde een kanoet.




Landelijk zeer zeldzaam en heel slecht kunnen zien; de breedbekstrandloper. Lifer nummer 7. Dit vogeltje staat rechts op de tekening, bovenaan dit blog.





En niet ver daar vandaan nummer 8; twee morinelplevieren. (Niet verder zoeken, er staat er maar een op de foto.)




Zilverplevier in het zonnetje.





Met ook alweer vlakbij hem; twee Temmincks strandlopers.




Daar heb ik nou lol in. Een foto van een meerkoet schieten terwijl zeldzame lifer nummer 9 achter hem zit.





Natuurlijk ook nog wel even apart gevogelgrafeerd. Kwak.




Even een schattig futenjong tussendoor.





Duofoto's; ik ben er dol op. Hoe slecht ze ook zijn. Groene specht en grote bonte specht.




Het licht werkte slecht mee tijdens het bekijken van de Beugense graszanger.





Na 46 jaar werd er weer in de Gelderse poort gebroed door de grauwe klauwier. Ik trof het hele gezin. Vijf stuks. 




Een rode wouw passeert een (vermoedelijke) sperwer.





Met vis in zijn klauwen is het natuurlijk een prachtige waarneming.




Met voorbijvliegende putter op een foto is helemaal bijzonder! Visarend.




Allemaal een beetje opschuiven en ze pasten net op de foto. Watersnippen in de Oude Waal.




Weer twee onscherpe zeldzaamheden op één plaatje. Kleine zilverreiger en zwarte ruiter.





Nogmaals de kleine zilverreiger. Nu vergezeld door lepelaar en kemphaan.




Een kokmeeuw vraagt zich af of die bontbekplevier eetbaar is.





Vissende aalscholvers in de Millingerwaard.




Ooit waren ze heel zeldzaam. Nu zitten ze gewoon met hun tweëenvijftigen in een weiland. Grote zilverreigers.





Ik zeg hem bijna wekelijks even gedag. Klapekster.




Lifer nummer... waar waren we? Het is een parelduiker in ieder geval. Liet zich mooi bekijken in de Bisonbaai.








Door deze 2500 dode en bijna dode vissen in het HD-gemaal ben ik nu bekend met namen als brasem, alver, kolblei, winde en blankvoorn





Die zwarte zee-eenden laten zich nou nooit eens fatsoenlijk aan mij zien.




De drie grote zee-eenden in de Berendonck werkten een stuk beter mee.





Ik geloof dat ik 'm in zijn winterkleed smaakvoller vind dan in zijn zomerkleed. Geoorde fuut in de Bemmelse polder.




2019 was een goed watervogeljaar. Twee vrouwtjes eider in een strandpark-Slijk-Ewijk-plas.




Net buiten het werkgebied maar wát een mooie vogel. Ik las ergens dat er kans bestaat dat ze ook in Nederland gaan broeden. Vooralsnog is de grijze wouw heel zeldzaam.








Afgelopen jaar vogelde ik ook heel wat uurtjes achter mijn computer. Voor Beleef de lente blogde ik over de lepelaars. Of ze in 2020 terugkeren weet ik niet. Ze moeten het in ieder geval zonder mij doen. Het kostte wel erg veel tijd. En achter een beeldscherm mis je toch de wind in je gezicht en de verrassing van een mooie ontdekking. Desalniettemin was het een leuke en leerzame ervaring.



Het mooist zijn ze natuurlijk in levende lijve voor mijn eigen camera. Moeders keelzak wordt hier geplunderd.



Ik struikelde bijkans over dit jong, terwijl ik juist de boomtoppen naar hem zat af te speuren. Misschien nog wel een leukere waarneming dan...




...de eenentwintig ransuilen in een boom, die ik een paar maanden later kon bekijken. (Moet ik nog steeds een blog over plaatsen.)




We eindigen met een serie niet-vogels. Zoals deze blauwvleugelsprinkhaan. (Onmogelijk scherp te schieten. Voor mij dan.)



Soms heb je het geluk dat er zomaar een bunzing op je af komt wandelen. Die je nét genoeg tijd geeft om een bewijsfoto te maken voordat hij in het struikgewas verdwijnt.




Een bever in de Millingerwaard.




Mijn eerste geelsprietdikkopje.





Grote zadelsprinkhaan imiteert een groene kool.




Netjes blauw gelakt, met een rode bes als oog. De grote roodoogjuffer.





Hij gaf me net tijd genoeg voor een vaag bewijsplaatje. De zeldzame grote vos.





Houtpantserjuffer.




Ik weet nu waar hij woont. Dus in 2020 krijg ik de kleine parelmoervlinder vast ook weer voor mijn camera.






Ieder jaar weer hoopte ik tevergeefs op een waarneming. Dit jaar zag ik hem eindelijk: de kolibrievlinder. En gelijk drie keer ook. Bewijsplaatje.




Parende koninginnenpages.





2019 was een goed jaar voor de oranje luzernevlinder. Meerdere keren gezien. Eerdere jaren nog nooit.





Ook het veel zeldzamere Oostelijke resedawitje liet zich door mij bewonderen.




Soms fotografeer je een vogeltje en blijkt er een minstens zo leuk beestje vlak voor je neus te zitten. Rugstreeppad.





Ik heb nog steeds moeite om al die witjes uit elkaar te houden. Deze jongen bleek bij achterafdeterminatie een zeldzaam scheefbloemwitje te zijn.






Ik zocht een middelste bonte specht en kreeg deze vuurlibel.








Er waren letterlijk een hoop zeldzame zadellibellen ons land ingewaaid. Ik kreeg ze parend voor de lens. 




Op een plek waar ik hem al veel eerder had verwacht te ontdekken liet hij zich eindelijk aan mij zien. Zandhagedis.






Deze sprinkhaan kwam zomaar vlakbij mij zitten toen ik weidebeekjuffers aan het fotograferen was. Bleek het achteraf zomaar een zeldzame zompsprinkhaan te zijn.




Nog een zadellibel? Nee. De iets minder zeldzame zuidelijke keizerlibel.





Een mooi overdag vliegend nachtvlindertje; de zuringspanner.




We eindigen met een ander, algemener dikkopje. Het zwartsprietdikkopjeToch nog nooit eerder dan dit jaar gezien.

Ik ben weer heerlijk benieuwd naar mijn komende 2020-waarnemingen! Komt er weer een bijzondere dwaalgast op bezoek? Loop ik eindelijk eens tegen een keizersmantel aan? Mag ik dan dít jaar een mooie blik op een kruisbek werpen? We gaan het zien.

maandag 27 januari 2020

Jochem Myjer, de kadavercamree en een januaripaapje.

Da’s een leuk begin van het nieuwe jaar. Wakker worden getsjilpt door de slaapkamerhuismussen, tijdens het ontbijt een laag overvliegende keukenraamsperwer, die in duikvlucht buiten beeld verdwijnt en letterlijk één meter voor mijn voordeur een zingende roodborst die mij naar buiten wenkte. “Kom op Mars, er wacht een compleet nieuwe jaarlijst voor je!” Precies een jaar geleden vond ik zes (!) zeldzame kleine rietganzen op nieuwjaarsdag. Benieuwd wat er vandaag voor me in het verschiet ligt.




Antwoord: mijn solonieuwjaarsdagbigday viel een beetje in het water. In Heumensoord treuzelde ik veel te lang. (Probeer maar eens weg te komen bij zo’n leuk kuifmeesje.) En aangekomen bij de Kraaijenbergs
e Plassen plofte er pardoes een dikke mistdeken op het gebied.



Ik kon nog net een geoorde fuut determineren voordat hij in de yoghurt verdween.





En deze groep grauwe ganzen
op het spiegelgladde water, waren korte tijd later ook nog nauwelijks zichtbaar.

Al bij al niet aan de gehoopte vijftig vogels gekomen. Dus nog geen officiële vermelding op de jaarlijst.

Tijdens het vogelen had ik continu de neiging om iedereen een gelukkig 2021 te wensen. Maar misschien interpreteerde ik het onophoudelijke vuurwerkgeknal op de achtergrond niet helemaal goed.

































Bij stormvlagen ben ik heel erg dom. Zo vroeg ik een tijdje terug via #durftevragen op Twitter of de hond van Jochem Myjer een teefje of een reu is. De hond heet Boukje. Eén googlesearch en je ziet dat dat een meisjesnaam is. Nul reacties natuurlijk. Totdat er een week of twee later toch nog iemand zo gek was om te reageren.






















Jochem is een levend stripfiguur. Daardoor is hij heel leuk om te tekenen. Als je tenminste net als ik een popiejopieslapsticktekenaar bent. Voor de lol teken ik hem wel eens in mijn schetsboek. 





















Als vogelaar natuurlijk. Want dat is hij ook. Dat hondje moet bij een volgende schets dus vrouwelijker, weet ik nu.



























Ik heb hem ook wel eens met die andere geestige vogelaar getekend. Hans Dorrestijn. Allebei in een jonge versie. Samen met mijn eigen stripfiguren uit De ontdekkers. Die van die door Het stripschap tot beste jeugdstrip van 2016 bekroonde albums. Die niet of nauwelijks verkrijgbaar zijn. In verband met de failliete uitgeverij. Die! (Boehoe.)





Een plas in een akkerland. Toch even met de kijker langs glijden. En ja hoor, maar liefst elf watersnippen zitten er zo goed als onzichtbaar te zijn. Maar dan hadden ze niet op Mars Gremmen gerekend!





Vlakbij de snippen deze jongen. Ik keek er een beetje raar tegenaan. Het leek wel een omgevallen uil.





Een eindje naar rechts lopen en het werd al duidelijker. Een haas die dacht dat-ie onzichtbaar was. Maar dan heeft hij niet...






Het bokje waar ik zo enthousiast over was in mijn vorige blog, was waarschijnlijk een witgat. Hoewel er na mijn bezoek in hetzelfde gebied nog bokjes gezien zijn. Dus eigenlijk weet ik niet helemaal zeker wat ik nu precies heb waargenomen. Bij een tweede bezoek gericht zoeken naar bokjes leverde niks op. Wel kreeg ik de klapekster weer in mijn vizier. Deze keer niet zo dichtbij. Maar wel met een herkenbaar Millingerwaarddecor. En herkenbare plekken op een vogelfoto vind ik altijd een pluspunt.






Het leek wel een katoenplantage. Ik begon ter plekke bijkans een negrospiritual uit te schallen. Een groot stuk van het gebied was bedwarreld onder de veertjes van een dode zwaan. 





Hoe zou hij aan zijn einde zijn gekomen? Vos? Of zeearend...? Die laatste liet zich in ieder geval weer niet zien. Helaas. Geen kop gevonden maar grote kans dat het een knobbelzwaan is geweest.


Natúúrlijk sta ik halverwege januari weer gewoon in de vogeljaarlijst-2020-top-tien. (Tweeënzeventig Gelderse vogels, gedeelde vijfde plaats op moment van schrijven.) Ik vogel expres op plekken waarvan ik weet dat er zich ontbrekende lijstvogels bevinden. Veertig minuten fietsen voor één sijsje? Geen probleem! De beloning is warm genoeg. Om snel wat verse 2020-vogels te scoren fietste ik ook naar het meeuweneilandje in de Spiegelwaal. Dat leverde me vijf meeuwsoorten op.



Links: grote mantelmeeuw. Groot formaat, zwarte rug, roze poten. Lekker makkelijk. Vliegend voor de aalscholvers: kokmeeuwtje. Rechts: pontische meeuwDie is al een stuk lastiger te determineren, want lijkt sprekend op de...




Zilvermeeuw.




De kok- en de stormmeeuw had ik dit jaar natuurlijk al eerder gezien. Die eerste vliegt regelmatig langs mijn keukenraam.
Maar die jongen in die uitsnede dan? Is zijn kop daadwerkelijk pikzwart of lijkt dat maar zo door het licht? Als het donkerbruin is, dan is het gewoon een kokmeeuw. Met vroeg beginnend zomerkleed. En anders is het een zeldzame zwartkopmeeuw

Altijd gaan voor de gewoonste vogel. Het is een kokmeeuw.




In de Landleven-special ‘Vogels kijken’ staat een artikel over Beleef de lente waarin vier BDL-bloggers worden geïnterviewd. Waaronder ik. Volgens mij verschijnt het blad pas eind februari maar ik heb het hier al voor me liggen. Collegavogelaar Jolanda Wannet leverde een mooie foto van mijn tronie. (Enigszins merkwaardig dat de enige cartoon in het blad bij dít artikel staat. En niet van mijn hand is.)





Boomklever. IJsvogel van het bos. Poseerde net niet goed genoeg om de glans in zijn oogjes te kunnen ontwaren.





Weer zo'n vogel die dacht dat ik hem niet in de gaten had. Kramsvogel. Misschien wel de mooiste lijster.




Tot mijn vreugde dacht ik de Kraaijenbergse-plassen-roodkeelduiker eindelijk eens aardig voor mijn lens te hebben. Maar het is een ellendige fuut die veel te veel op hem lijkt.






Als de vogeloogst tegenvalt ‘Wat doe ik hier in godsnaam?!’ dan probeer ik altijd nog even de Ooijpolderklapekster en/of een ijsvogeltje te scoren. Om het leed te verzachten. Gelukkig werken de twee vaak mee. 





Of hij me nou echt niet in de gaten had, of dacht ‘Laat ‘m maar langs me heen sluipen', durf ik niet te zeggen. Feit is dat dit reetje gewoon bleef doorknabbelen.




Een andere ree... Die van de kadavercam. Hij lag er mooi bij. Thuisgekomen heb ik een plak cake bij de koffie genomen. (Ter plekke nog hartmassage en mond-op-mondbeademing overwogen, om viral te gaan op YouTube. Maar daar toch maar van afgezien. Beroemd zijn is ook niet alles.)




Zanglijster, beflijster, grote lijster; die waren me allemaal bekend. De maandlijster was echter nieuw voor me. Een vreemde vogel die per maand zoveel mogelijk vogelsoorten op zijn of haar lijst wil hebben staan. Bijvoorbeeld een paapje in januari.

Dat paapje was een mooie ontdekking van vogelaarcollega H. Die er in eerste instantie een roodborsttapuit in zag. Die horen eind januari ook in het zuiden te zitten. Maar daarvan is bekend dat er een aantal blijft overwinteren. Een dag later herontdekte vogelgrafe J. het uiterst schuwe vogeltje. Waarop ik hem, bij gebrek aan zeldzame dwaalgasten, twitchte om dit blog met een toch wel bijzondere waarneming te kunnen eindigen. Met hartelijke dank aan H. en J.


Komende donderdag organiseert mijn vogelwerkgroep een visueel jaaroverzicht van 2019. Tegen die tijd zal ik mijn eigen Top 2019 hier ook plaatsen. Beter laat dan nooit.




Of wacht, laat ik die slechtvalk die ik na het paapje zag er ook maar bij gooien. Blijft altijd mooi om hem op de Waalbrug te zien zitten.