woensdag 16 oktober 2019

Bosmestkever




Zeker twee uur zitten wachten tot hij eindelijk eens uit zijn boom zou vliegen om te gaan jagen. Maar er was geen beweging in deze visarend te krijgen. Alleen zat hij plotsklaps op een andere tak een vis te verorberen. Die moet dat mormel echt ra-zend-snel gevangen hebben. Niks van gemerkt. Al heb ik me wel een paar keer verplaatst. Boven hem een zonnebadende blauwe reiger.






Wat op vis jagen betreft werkten de tweehonderd, tweehonderdvijftig (!) aalscholvers een stuk beter mee. Met een hele groep joegen ze de vissen één kant uit. Om ze vervolgens te vangen en zo snel mogelijk door te slikken. Voordat de buurman hem kon afpikken.




Eindelijk heb ik de twee kleine zilverreigers, die al enige tijd in de Ooijpolder verpozen, samen op de foto gekregen. Helaas op flinke afstand, met slecht licht. Kans om ietsje verderop een beter plaatje te schieten kreeg ik niet. De vogels vlogen op door een hond op de dijk, die een vriendin van zijn baasje luid begroette.





Plaatje uit Suus en Sas van collega L. Zelf heb ik heb ik ooit eens wat tekenwerk naar de Tina gestuurd. In de veronderstelling dat ze wel een strip van een talentvolle, gevoelige jongen als ik konden gebruiken. Maar ik was toen ook al te raar en werd vriendelijk bedankt. Wie had kunnen bedenken dat ik vijfentwintig jaar later met vogelfoto's en een zelfportret in dat blad zou debuteren!








Voor de vrolijkst makende klucht niet naar het theater maar gewoon gewapend met verrekijker op de fiets springen. Ik hoorde ze al van verre naar elkaar roepen. Een door het fietspad gescheiden klucht patrijzen.




Bij de Vogelbescherming worden ze jaarlijks bestookt door bellers die een notenkraker gezien menen te hebben. Tien van de tien keer zijn dat dan spreeuwen. De melding van zés notenkrakers op de vogelalertgroep nam ik dus ook met een flinke korrel zout. Omdat er toch wat twijfel werd gezaaid en ze hier vijf minuten vandaan zouden zitten, ben ik toch even wezen kijken. En zag ik kauw, houtduif, pimpelmees, gekraagde roodstaart, gaai. En zes spreeuwen.





Tegen beter weten in hoopte ik dat het een vrouwtje vliegend hert was. Maar ze trok geen slee met een luidkeels "Ho, ho, ho!" roepende, dikke, bebaarde man in een rood pak voort. Het was ook nog maar eind september. Een doodgewone bosmestkever is het. Met een mooi blauw glansje.




Drie bonte strandlopertjes in de Oude Waal. Een week eerder stond die helemaal droog. Nu staat er gelukkig weer een laagje water. En is er weer kans op leuke steltlopers.




Er was ook kans op de eerste kolganzen. Ik heb ze echter nog niet kunnen ontdekken. Dan maar een poging tot een sfeervol plaatje van hun soortgenoot de grauwe gans.





Drie oktober. Nogmaals de bonte strandlopers. Wederom liepen ze op te grote afstand voor een fatsoenlijk plaatje. Wel is mooi te zien hoe klein ze eigenlijk zijn. Een stuk kleiner dan een kievit. En nauwelijks groter dan een onscherpe witte kwikstaart.




Even twijfelde ik omdat ik haar wel heel erg licht vond. Maar het was daadwerkelijk een zeldzame gele luzernevlinder die voorbij kwam vliegen op het moment dat ik de drie bonte strandlopers in de Oude Waal vogelgrafeerde. Een vrouwtje. Dat maakt haar de dertigste Gelderse vlinder die ik dit jaar heb gezien. Eigenlijk éénendertigste. Want ik heb ongetwijfeld ook een groot koolwitje gezien. Maar niet officieel weten te determineren. Laat staan fotograferen. Tweeëndertigste! Die eikenpage kon eigenlijk ook niet missen. Maar ik moet streng zijn. Geen fotobewijs, geen vlinder.

Volgend jaar dan eindelijk de keizersmantel! Hoop ik toch...



Hij is er vroeg bij. Drie oktober. Waarneming.nl-admin J. hoopte stiekem nog op een (zeer zeldzame) kleine klapekster, toen ik de foto nog niet geplaatst had. Maar dat zou zelfs voor mijn doen wat ál te veel geluk zijn. Nou ja, tweede vastgelegde klapeksterwaarneming dit najaar in mijn vogelwerkgebied. En eerste in de Ooijpolder. Ook leuk!

Nee! Ook de eerste waarneming dit najaar van mijn vogelwerkgebied, zie ik nu. Ik meende dat hij al eerder in de Hamert was gezien. Maar die waarneming is óf weggehaald, óf ik heb me vergist. (En dat zou dan niet de eerste keer zijn...) Ik ga de boeken in!

Dit is mijn meest met vind-ik-leukjes overladen tweet ooit overigens. Ik moet het vaker over mijn onderbroek hebben!




“Hoe lang blijf je nog doorvogelen?” Mijn antwoord op W’s vraag leverde een lachende reactie op. “Tot het donker is!” Ik moest er aan denken toen ik op weg naar huis mijn fietslicht aan zette.

Het was weer tijd geweest voor het halfjaarlijkse ochtendje vogelen met haar man, collega L. De vorige keer werden we tot onze grote vreugde verrast door een overvliegende zeearend. Een onmogelijk te evenaren waarneming, zou je zeggen. Maar we waren nog maar nauwelijks de deur uit of ik hoorde een vogelroepje dat ik tot mijn eigen verbazing onmiddellijk wist te herkennen. Bladkoning! Een in deze contreien zeer zeldzaam doortrekkend zangvogeltje. Geweldige zelfontdekking! Snel nam ik zijn geluid op en probeerde ik hem, hoog in de dicht bebladerde boom, met tegenlicht, druk bewegend, te filmen. In de hoop er een bruikbaar screenshotje uit te kunnen vissen. 

Ik heb dat ellendige filmknopje van mijn camera drie keer niet goed ingedrukt. Eén keer toen er een roerdomp voor me langs vloog. Eén keer toen ik hoog over mijn vaste trektelplek vloog in een zweefvliegtuig. En nu. Gelukkig was de geluidsopname wel gelukt.

Oké, dat er die dag landelijk 484 bladkoningen zijn waargenomen (inclusief doublures) hoeft collega L. niet te weten. In het binnenland worden ze nog steeds aangemerkt als zéér zeldzaam...!





Helaas zat collega L. alweer lang en breed aan de koffie toen ik wederom een vogelroepje herkende. Mede dankzij de televisieserietune van het natuurprogramma van Nico de Haan en Hans Dorrestijn. Deze keer drukte ik mijn cameraknopje wél goed in. En kon ik deze plaatjes van het mannetje baardmannetje in het riet schieten. Hij zat net lang genoeg zichtbaar aan een pluim te knabbelen voordat hij weer diep in het riet verdween.




Ook ik kwam er als beginnend vogelaar door schade en (veel) schande achter dat een bonte buizerd echt geen visarend is. Al helemaal niet als hij in een weiland een prooi zit te plukken. Maar de verwarring is best begrijpelijk, vind ik als inmiddels ietwat gevorderde vogelaar. De buizerd werd verjaagd door twee brutale zwarte kraaien. De veren van het slachtoffer kleefden nog aan snavel en poten.




De gaaien vlogen me die dag om de oren. Er is dit najaar een ware gaai-invasie gaande. Deze keer vergiste ik me echter. De twee vogels die ik door de bomen zag vliegen waren niet, zoals ik in eerste instantie dacht, gaaien. Het waren twee prachtige groene spechten. Waarvan er eentje zich in prima licht liet vastleggen op de digitale plaat.

 


Nog steeds een vrij zeldzame verschijning hier. Deze keer in de Bemmelse polder. Juveniele bontbekplevier.





Mijn eerste 2019-najaarskolganzen. Deze dag (5 oktober) stroomden ze met duizenden Nederland weer binnen. Voorbode van een lange deprimerende winter! Nou ja, misschien valt het wel mee dit jaar. Laat ik de hoogtezon maar vast aanzetten.




Ook wat bonte strandlopertjes in de Bemmelse polder. 




En op dezelfde plek een oeverlopertje.




Dinerend puttertje.





Op de foto tel ik er wat minder, maar ter plekke had ik er maar liefst drieenvijftig waargenomen. Grote zilverreigers in een weiland. Waarin blijkbaar voldoende voedsel was te vinden voor de hele groep.





Het was een flinke jongen en hij (zij) vloog op flinke afstand. In slechts een paar seconden kon ik met moeite deze plaatjes schieten. Ter plekke kon ik hem/haar niet meer terugvinden. Daar zou een busje waar drie niet aangelijnde honden uit sprongen mee te maken kunnen hebben...


Door de witte stuit en de grootte dacht ik aan een vrouwtje blauwe kiekendief. De waarneming.nl-admin vond het echter niet te beoordelen. Niet omdat het geen blauwe kiekendief zou zijn. Maar omdat een juveniele blauwe kiekendief, mannetje én vrouwtje, ook zo’n witte stuit blijkt te hebben. Weer wat geleerd! Deze vogel blijkt overigens bij nader inzien een eerstejaars blauwe kiek te zijn. 


Waarneming.nl-admin F.: ‘Pas in het 2e levensjaar ga je duidelijke verschillen zien in het kleed: mannetjes krijgen geleidelijk aan steeds meer grijze en witte veren van het adulte kleed. Maar ook adulte mannen hebben een witte stuit, alleen zijn die gemakkelijk als zodanig te herkennen door hun fraaie grijs-zwart-witte kleed.’




Op de bijzonder warme zondag 13 oktober was de Ooijpolder afgeladen met roofvogels. Buizerds, of zoals vogelaars horen te zeggen, buizerden, véle sperwers, torenvalken en een havik. Vogelaar M., nummer twee op de VWG-Nijmegen-levenslijsten, had zelfs maar liefst twéé blauwe kiekendieven gezien. De vogels vlogen ons om de oren. “Ons” zijn de vele vogelaars, die met name gekomen waren om een blik op de klapekster te werpen. Veelal met succes want hij liet zich weer goed zien.





M. weet zo’n havik moeiteloos van een sperwer te onderscheiden. Mij lukt dat onderhand ook wel een beetje. Maar niet zonder mijn hersenpan stevig te laten pruttelen.





Een torenvalk had ik dit nog nooit zien doen. In de lucht een insect van zijn vleugeltjes afhelpen. Om hem vervolgens smakelijk op te peuzelen. Typisch boomvalkengedrag.





"Da's een buizerd.”
Ik zwiep naar de roofvogel die natuurfotograaf J. bedoelt en laat bijkans de verrekijker uit mijn handen kletteren.
“Nee, da’s een rode wouw!”




En van de rode wouw kan ik geen genoeg krijgen! Een prachtige vogel om dit blog mee te eindigen. 

Op de wenslijst voor het laatste restje 2019: smelleken!























Wacht even! Even nog deze brakke, beroerd belichte ouwe-iPhone-foto plaatsen. Boswachter T. meldde op Twitter dat hij 's avonds in zijn binnenstadstuin trekkende koperwieken en zanglijsters hoorde overvliegen. Dus die ben ik ook snel even gaan beluisteren tijdens een ommetje. Waarbij de bosuil zich netjes stil hield om de roepende lijsters niet te interrumperen.

woensdag 18 september 2019

Zuidelijke keizerlibel, houtpantserjuffer en veel visarend






Op een bankje bij de Kaliwaal zag ik birder M. en vogelaar M. zitten. Wachtend op een visarend. Zelf was ik voor de derde (tevergeefse) keer uit op een resedawitje en besloot, na de heren begroet te hebben, weer verder te fietsen. Een hard uitgeroepen ‘Mars!’ weerhield mij. Visarend!




Een rijtje op de verkeerde plek groeiende bomen ontnam ons helaas grotendeels het zicht op het water. Waardoor we hem er niet in konden zien plonsen.





Dat kon ik wel toen ik een tijdje later richting het kijkhuis in de Millingerwaard fietste. Te snel en net iets te ver weg voor goede foto’s. Maar qua spektakel zit het plaatje wel snor.







Na een tweetal duiken ging hij met zijn rauwe visstick in een boom zitten. Om korte tijd later uit beeld te verdwijnen.




Het resedawitje kon ik zoals gezegd niet vinden. Wel een nieuwe soort in de libellenlevenslijst: de houtpantserjuffer. Een wel heel mooi juffertje.




Nummer 20 op diezelfde lijst is deze zuidelijke keizerlibel. Die ik door zijn blauwe band in eerste instantie aanzag voor de nóg zeldzamere zadellibel. Maar die had ik al eens gezien. En deze niet. Helemaal goed dus.

De door beeldherkenning voor 95% zekere zeer zeldzame sierlijke witsnuitlibel bleek toch te zijn wat ik in eerste instantie dacht. Een doodgewone gewone oeverlibel. Daar gaat m'n opschepperige anekdote!




Over zadels gesproken; voor de tweede keer landde er een vlinder op mijn fiets. De vorige keer een atalanta. Nu is het een bont zandoogje.





In mijn vorige blog had ik het geluk de kleine zilverreiger aan te treffen tussen twee zwarte ruiters. Deze keer verschool hij zich tussen de lepelaars en náást het enige kemphaantje in de Ooijpolder. Dat maakt zo’n bewijsfoto toch extra leuk. De volgende keer wil ik hem naast een visarend.





Maandag 1 september leek me een prima dag om ‘s avonds nog even diezelfde Ooijpolder in te fietsen. Oude Waal of Persingensestraat? Ik koos nu eens voor die laatste. Goede keuze. Ik was de straat nog maar net in gefietst of ik zag heel in de verte drie roofvogels bakkeleien met elkaar. Eentje ging er in hoog tempo vandoor en vloog langs de stuwwal richting Lent. Bruine kiekendief! Die zie je hier maar zelden. Ik draaide me om, zag in de verte een zwart stipje boven de Oude Waal vliegen, en zoomde weer in met mijn camera.





Visarend! Al het geluk dat ik in mijn normale leven ontbeer heeft zich blijkbaar samengebald tot één grote klont vogelaarsgeluk! Mooi dat ik deze gegeven visarend niet in de bek ga kijken!





Voor de zondag had ik een groot koolwitje op het programma staan. Daar heb ik nog steeds geen foto van kunnen maken. Ook deze keer weer niet. Een tapuit of paapje stond ook op de lijst. Die werkten beter mee. Links van de weg, verspreid over een weiland: vier tapuiten!





Rechts van de weg op het opvallend gemene prikkeldraad: drie paapjes! Zo hebben we het graag!



Een staartmeesje d'rbij voor de leuk.






'Ik ga even met m'n gemotoriseerde parachute laag over een stiltegebied vliegen', dacht deze persoon. Ik ben tegen. Maar die zeven verschrikt opgevlogen ooievaars waren stiekem wel weer een mooi gezicht. Helaas waren ze niet zwart. In dat geval was ik de parachutist wel even gaan zoenen. (Hij/zij komt goed weg.)




Een nieuwe zaterdag begint slecht met een fiascoscheet. Maar dat vergeten we zo snel mogelijk en we schakelen over naar een veel minder vochtig reetje. Dat het best naar zijn zin had op deze bijzonder zomerse herfstzaterdag.




Iets verderop weer eens een bontbekplevier. Naast een kokmeeuw.





Er verblijven maar liefst twee kleine zilverreigers in de Ooijpolder. Deze zat in de Oude Waal en was veel te overbelicht voor een aanvaardbaar plaatje. Maar samen met twee wilde eenden is nu wel zelfs voor de grootste vogelleek te zien wat een opvallend klein reigertje het is. Met opvallend grote (gele) voeten.




Van het vlakbij de kleine zilverreiger foeragerende ijsvogeltje probeer ik tegen beter weten in toch weer wat plaatjes te schieten. Veel te ver weg, overbelicht en onscherp. Maar als ik het plaatje IJsvogel in droomachtige sfeer noem dan is het toch een leuke fotocollage om naar te kijken. Denk ik.




Mannetje zwartkop (het vrouwtje heeft een bruin petje) met besje in zijn snavel. Lekker aanvetten voor de lange reis naar het zuiden.




Eveneens aanvettende buizerd met een muizig hapje.






Of het met het warme weer of de vliegtijd te maken heeft weet ik niet. Maar er zaten deze keer lekker veel libellen in de Millingerwaard. Deze paardenbijter bijvoorbeeld. 'De paardenbijter bijt geen paarden, maar dankt zijn naam aan het feit dat hij vaak jaagt op insecten die zich dicht bij het lijf van dieren of mensen ophouden, waardoor het lijkt of hij ze bijt.' (Wikipedia.)




Even eerder had een insectenspecialist al uitgelegd waar ik de zeldzame zadellibel ongeveer kon vinden. Ter plekke werd ik gelijk gewenkt door een ouder echtpaar. ‘Daar zit-ie op de zuring!’ Ik bedankte ze vriendelijk, zakte door mijn knieën voor een foto, zoomde in en zag dat het uitstulpseltje op de tak helemaal geen libel was.





De tak was ook geen zuring. (Plantenkennis: zero.) Toen ik ik hem wat dichterbij ging bekijken, bleek de zadellibel dertig centimeter lager te zitten. Nog niet uitgekleurd, met ontbrekende pootjes en vermoedelijk daar ten droge gehangen door een zorgzame libellenliefhebber. 




Iets daarvoor had ik eindelijk, na drie eerder mislukte pogingen, het zeer, zeer, zéér zeldzame resedawitje in beeld. (Had ik al gezegd dat-ie zeldzaam was?) 



Zeker honderd meter als een malloot achteraan gerend. Gelukkig volgde hij het pad en was ik in staat om wat bewijsplaatjes/screenshots te maken. 




Twee dansende oranje luzernevlinders werkten minder goed mee. Maar mijn hoofddoel was geslaagd. Resedawitje én zadellibel. De gehoopte vis- en zeearend lieten zich niet zien. Maar daar kon ik na mijn insectensucces mee leven. Deze tapuit in tegenlicht kreeg ik er gratis bij.









Of had ik tóch een visarend gezien? Ver weg zag ik iets boven de Kaliwaal vliegen. Ik probeerde het in camerabeeld te krijgen maar volgde door het slechte beeld abusievelijk een blauwe reiger in plaats van de vermoedelijke arend. Die ik vervolgens ook niet meer terugzag. Het lijkt me een duikende visarend. Maar pin me er niet op vast. 




Het gaat slecht met de monarchie in het vlinderrijk. Gehandicapte koninginnenpage.





Dit zie je regelmatig als je in de natuur je ogen de kost geeft en je hoofd omhoog draait; een roofvogel die verjaagd wordt door een kraaiachtige. In dit geval een mannetje torenvalk achtervolgd door een kauwtje.




"We hebben weer van je blog genoten, Mars!"

Ja, deze grap stond ook al op Twitter. Maar ik vond hem zo leuk dat ik hem nog een keer maak. (Het zijn juveniele spreeuwen.)