vrijdag 12 juni 2020

Struikrietzanger



Als je dan toch een zeldzaam vogeltje gaat zitten te zijn, dan heb je wel de plicht om een mooi optreden te verzorgen voor de toegestroomde vogelaars. En mooi te poseren voor de vogelgrafen. Geluksmomentjes uitdelen aan mensen die dat in deze coronatijden goed kunnen gebruiken, zeg maar. Anders had je net zo goed thuis kunnen blijven. Deze struikrietzanger werkte wat dat betreft goed mee.





Het vogeltje lijkt als twee druppels water op zijn neefje (ik roep maar wat) de bosrietzanger. En je kunt hem ook probleemloos voor een kleine karekiet aan zien. Duidelijk lid van de familie der kbv’tjes. Aan zijn zang was, voor de meer geoefende vogelaarsoren, echter te horen dat het om een heel andere vogel ging.




Onder het oog van de struikrietzanger zit de vermoedelijk meest gefotografeerde teek van Nederland. Eigenlijk gun je die eer niet aan zo’n naar beestje. Maar denk eens aan hoe trots zijn aanverwanten wel niet moeten zijn op een BT’er* in de familie!

Eigenlijk zat er een kritisch stukje over parkeer-, vogelaars- en fotografenoverlast in mijn pen. Maar ik probeer dit blog een beetje luchtig en ontspannend te houden. Dat is beter voor mijn zenuwen.

*Bekende teek.






Vlakbij de srz liet een blauwborst zich mooi bekijken. Een natuurschrijver voor Trouw meldde dat hij er dit jaar meer dan ooit had gezien. Dat kan ik beamen. Fijn dat het zo goed lijkt te gaan met dit wonderschone zangertje.



Mínstens zo leuk als de struikrietzanger was de vogel die zich halverwege de heenweg aan mij toonde. En mij mij mijn fiets in de berm deed werpen. Waarna ik met ruwe trekbewegingen mijn tegenwerkende fotocamera uit mijn fietstas probeerde te pulken. Een overvliegende 2020-rode-wouw! Een van mijn wensvogels aan het eind van mijn vorige blog. Ze komen steeds meer onze kant op broeden...



De middag eindigde ook leuk. Behalve dat ik een mooie blik op twee broederlijk naast elkaar zwemmende slobeenden kon werpen, werd ik verrast door een harde roep die ik niet direct kon thuisbrengen. Een beetje een dodaarsachtig, hinnekend geluid, dat uit een klein bos kwam. Het kwartje viel toen ik een steeds opgewonder zingend mannetje koekoek hoorde. Het was een roep die je als vogelaar niet vaak hoort. Die van een vrouwtje koekoek! Die wil normaal gesproken natuurlijk zo min mogelijk opvallen. Om heel sneeky een ei in andermans nest te kunnen leggen.

Geheel toevallig had ik een tweetal dagen eerder de roep van het vrouwtje gehoord in een podcast over de koekoek. Die podcast wordt gemaakt voor het natuurtijdschrift Roots. Je kunt hem hier beluisteren. In andere afleveringen worden vogels als bosuil, tjiftjaf en blauwborst behandeld. Luistertip!



Ik beken. Ik heb de grasmus die ik langs de weg vond voornamelijk, tamelijk futloos, proberen na te tekenen omdat échte tekenaars nu eenmaal dode vogeltjes natekenen. (Als kind heb ik die tik van Rien Poortvliet meegekregen.)




Tamelijk futloos, omdat dode dingen zo precies mogelijk natekenen behalve moeilijk, ook best wel saai is. Al moet ik zeggen dat het wel leerzaam is om zo'n vogeltje van dichtbij te bestuderen. Begrijp je z'n anatomie weer wat beter. En dan kun je er weer makkelijker een stripvogeltje van maken. Ik moet ‘m nog eens ontdooien voor een tweede, wat geconcentreerdere tekensessie. (Daarna gaat-ie in de pan.)




Drie enthousiaste wandelaars, samen goed voor een boete van 312 euro als een boswachter ze daar had gezien, vertelden dat ze de Ooijpolder-zwarte-ooievaar hadden zien opvliegen. Waardoor ik bevestigd werd in mijn vermoeden dat ik hem even eerder boven de schoorsteen van de steenfabriek had zien vliegen. (Op het schermpje van mijn camera was dat niet met zekerheid te zien.)

's Avonds werd-ie weer gemeld. Hij zat in prachtig licht op een boomstam met een blauwe reiger vlak voor hem. Wonderschoon plaatje. Was ik m'n camera vergeten!





De volgende avond kreeg ik gelukkig een herkansing. Wel een veel minder mooi plaatje. Hij heeft het aardig volgehouden in de Ooijpolder. Pas na een week pakte hij zijn biezen.



Het ontdekken van een fluiter is altijd een klein feestje. Hij blijft zijn uit duizenden herkenbare riedel gewoon zingen, op slechts een paar meter afstand van je vandaan. Overvliegend van tak naar tak. Nieuwsgierig naar de persoon die hem met open mond, geërecteerde camera, in net te weinig licht voor een scherpe foto staat te bekijken.




Zo saampjes acrobatische toeren verrichtend kun je mooi zien dat een vrouwtje citroenvlinder aanzienlijk lichter van kleur is dan het mannetje. Je zou haar bijna voor een koolwitje aan zien.




Begin juni. Jonge vogels vliegen je om de oren. Bij wijze van spreken. Die moet je als vogelaar ook allemaal onder de knie zien te krijgen. Dit is een witte kwikstaart. Niet zo héél moeilijk.




Dagje Noord-Brabant. Eerst even langs KP5 om te kijken of de roodhalsfuut er nog zit. Hij zat er inderdaad nog redelijk zeldzaam te wezen. Erg opgewonden werd ik eerlijk gezegd niet meer van ‘m. In zomerkleed of niet. Je weet namelijk van tevoren precies wat je te zien krijgt. Een fuut in het water. Ver weg of lekker dichtbij. In gemeen tegenlicht of juist met het zonnetje in m’n rug.





Dan is zo’n doodgewone gekraagde roodstaart, die het helemaal niet leuk vindt dat jij zijn broedplek hebt ontdekt, eigenlijk een veel bevredigendere waarneming.





Toen ik ietsje verder liep zag ik hem zijn verborgen nest in duiken. Z’n vrouwtje was ook in de buurt.





Een klein uurtje eerder kwam ik zijn familielid de zwarte roodstaart tegen. Zo te zien een juveniel.





Op dezelfde plek als de gekraagde roodstaart foerageerde dit vrouwtje zwartkop. Om het beginnende vogelaars moeilijk te maken draagt ze geen zwart maar een bruin petje.





Een jagende geelpootmeeuw wordt verjaagd door een veel kleinere kokmeeuw. Die laatste broedde met een twintigtal soortgenoten en wat visdieven op een eilandje. In een filmpje zag ik een vergelijkbare zilvermeeuw een kokmeeuwkuiken grijpen en ‘m letterlijk in één keer doorslikken. Dus deze kokmeeuw verdedigt niet voor niets zo fel.





Dit geluid kon ik niet direct thuisbrengen. Het is de roep van een kuifeend. Nooit eerder (bewust) gehoord. Meestal houden ze ook gewoon hun snavel.






Een brand in een chemische fabriek? Een plaatselijke, extreme uitbarsting van het coronavirus? De vos schrok in ieder geval niet van het alarm dat uit de iPhone in mijn broekzak schalde. Toen ik bedacht dat het de eerste maandag van de nieuwe maand was, hoefde ik niet eens te controleren dat het precies 12:00 uur was.





Zou hij me echt niet opgemerkt hebben? Ondanks het alarm? Ik kan het me nauwelijks voorstellen. Hij oogde in ieder geval volkomen relaxed. Open en bloot aan de rand van een weiland.





Vlakbij de vos, in het weiland naast hem, liep een ree. Ik hoopte vurig dat ze gevolgd zou worden door een jong. Maar dat zou té veel geluk voor één dag zijn.






Hoofddoel van deze dag: de wielewaal! Normaal ben ik al blij met de zang of, op z’n best, een voorbijflitsend geel vlekje. Deze keer had ik echter een boom met bessen ontdekt waar ik ze tijdens de lunch, op grote afstand, vijfenveertig minuten na elkaar kortstondig in zag vliegen. Een stuk dichterbij, half verscholen in het riet, hoopte ik op een derde flitsbezoek. Dat kwam ook. Op het moment dat ik een uur voor niks had zitten wachten en teleurgesteld mijn fiets van het slot aan het halen was. Wéér geen close-up-foto van deze wonderschone vogel! De wielewalen zaten op zo’n anderhalf uur fietsen, dus ik weet niet of er dit jaar nog een nieuwe vogelgrafeerpoging in zit.





Wel zag ik tijdens het wachten, behalve merel en zwartkop, een bessenplukkende grote bonte specht. Ik wist helemaal niet dat bessen op zijn menu stonden.










Modder verzamelen is in de huidige droogte niet te doen. Deze huiszwaluwen probeerden, in razendhoog tempo, te profiteren van een van de weinige regenbuien deze lente. Een dag eerder. Maar de modder is alweer bijna droog. Ik ben benieuwd of ze dit jaar nog complete kleinesten weten te fabriceren. En of ze met dit droge weer überhaupt jongen weten groot te brengen.




We gaan eruit met een kneu. Bij gebrek aan een 2020-zwarte-mees.

maandag 18 mei 2020

Big Day, Small Day, Solo Day

Leestijd: lang maar vlot.




Niet alleen in april maar ook begin mei is de kans op een dwergmeeuwwaarneming in het Grote Grindgat aanwezig. Die kans moest ik maar weer eens grijpen. En er vloog inderdaad één tweedejaars vogel boven de plas.




Een rondje later zat de dwergmeeuw een hele tijd doodstil aan de oever. Ik vind hem er ook niet helemaal gezond uitzien. Jammer dat hij zo keihard belicht werd. Om ondoorgrondelijke redenen maakte ik er thuis weer een kokmeeuw van. Of nou ja, de waarnemingfotoherkenning zal er wel een zeven-procent-dwergmeeuw van gemaakt hebben. En bij bijzondere soorten geloof ik dat dan direct.
Hij werd gezellig omringd door kleine plevier, oeverloper en witte kwikstaart.




Slechts twee gele kwikstaarten kwam ik tegen. En twee tapuiten. Die vinden dit wellicht een fijne plek door de holen van de tientallen konijnen die je hier ziet. Het zou leuk zijn als ze er ook eens in gingen broeden. Gaat echter niet gebeuren daar. Met al die honden.





Ook konijnfotografen kunnen hier hun hart ophalen. Ik had dit schattige diertje dan toch weer liever dertig meter boven de grond in de klauwen van een zeearend gezien. Je bent vogelliefhebber of je bent het niet.





Al vaak gevogelgrafeerd, de grasmus. Maar ja, als hij zó mooi voor je staat te poseren, dan schiet je er toch maar weer een plaatje van.





In hetzelfde vogelrijke boompje: zingende heggenmus. Grijs kopje.




Ze werden er al een tijd gemeld. Maar op de een of andere manier kwamen ze niet in mijn beeld. Deze keer wel. Casarca's. Ze klinken zo. 

Door corona-overmacht en omdat het eigenlijk ook best onnozel is om een positie in de VWG-2020-top-tien te ambiëren, heb ik de kwartelkoning bij de Kaliwaal laten schieten. De vogel die een paar dagen later achter de Oude Waal werd ontdekt heb ik echter wel een avondbezoekje gebracht. Zó dichtbij kon ik hem natuurlijk niet aan me voorbij laten gaan. Je kunt hem — vrouwtjes zingen ook maar net weer iets anders — heel zachtjes horen op mijn opname. De roerdomp hoempt ook nog steeds in het gebied. En ik had die avond m’n eerste schreeuwende 2020-kerkuil te pakken. Gewoon in mijn oortjes. Niet op m'n iPhone.


Big Day 2020

“Wanneer doet die ellendeling zijn snavel nou eens open?!”
Letterlijk midden in die zin liet de cetti’s zanger zijn explosieve riedel horen.
Tot grote hilariteit van M. en mij.

Door iets met corona ging de Big Day dit jaar niet door. Toch waren er wat vogelaars die de mooiste (en vermoeiendste) vogeldag van het jaar niet wilden missen. En op eigen initiatief, met anderhalvemeterafstandduoteams, op de fiets, een dagje vogelsoorten gingen verzamelen.

We deden het heel rustig aan. En eindigden op die manier met 95 vogels. Na zo’n 105 kilometer gefietst te hebben. Ter vergelijking; het winnende team vond 136 vogels. Na 207 kilometer fietsen! En ze hadden niet eens een elektrische fiets! Nou ja, jonge goden met ultieme vogelkennis. Daar valt niet tegenop te boksen. Hoef je niet eens te proberen. 

Nog een verschil met het winnende team; wij stonden, naar mijn idee tergend vroeg, om kwart voor zes startklaar op de parkeerplaats van Heumensoord. Het winnende team begon om twaalf uur. Twaalf uur ‘s nachts!




Op een enkele koekoek en wat bijkans ondetermineerbare juveniele meeuwen na heb ik geen foto’s gemaakt. Kost te veel tijd.




M’n eerste 2020-boomvalk moest ik echter ook wel even schieten. Opgejaagd door twee kraaiachtigen. Verder heb ik mijn jaarlijst kunnen aanvullen met bosrietzanger, bonte vliegenvanger en spotvogel.

“Zat er geen slechtvalk in de kerktoren van Cuijk?” 
Met onze kijker vinden we een houten plateautje op een van de twee torens. Precies op dat moment doet een slechtvalk een stap naar buiten!

Ook leuk; het ongekende enthousiasme bij het ontdekken van een waterhoen. Dat krijg je als zo’n vogel de hele dag zijn koppie maar niet wil laten zien. Een andere algemene vogel die dan weer niet meewerkte was de dodaars. Altijd al een hekel aan gehad.


Ook de kwartelkoning werkte niet mee. De roerdomp liet zich dan weer onmiddellijk horen op het moment dat we aan kwamen fietsen. Blijft indrukwekkend dat een vogel zo’n geluid kan voortbrengen. Op de een of andere manier verwar ik zijn naam steeds met ‘loempia’. Dan klinkt een zin als ‘Heb jij ook zo genoten van de baltsende loempia bij de Oude Waal?’ toch wel een beetje raar.

Iets voor half tien ‘s avonds leidde M. ons voor de laatste vogel naar een in een parkje gevestigde roekenkolonie. In het donker konden we in één van de nesten nog een bewegende staart ontwaren. Van een vermoedelijk eng dromende roek. 


Na afscheid genomen te hebben besloot ik, staande voor een bejaardenhuis, mijn laatste restje water op te drinken. Hetgeen ontaarde in een gigantische verslikhoestbui. 
Tijdens welke een aantal oudjes ongetwijfeld van coronaschrik de geest heeft gegeven. Waarvoor mijn excuses.




Al bij al was het een mooie, zonnige dag. Zonder enorme uitschieters. Voor herhaling vatbaar. Al moeten er nog wel wat vogelgeluiden in mijn kop aangestampt worden. En die meeuwen in juveniel kleed... om die te kunnen determineren heb ik nog wel wat jaartjes nodig. Of langer. (Foto: tweedejaars kleine mantelmeeuw.)


Small Day

Enigszins teleurgesteld dat we op de Big Day geen zwarte specht konden vinden, hield ik al snel een Small Day en fietste ik naar een bos waar hij eerder waargenomen was. Een alarmroep en een flits van een grote zwarte vogel met iets roods op zijn kop bezorgde me dan eindelijk mijn eerste, zekere 2020-zwarte-specht.

Terugfietsen via Heumensoord en park Brakkestein zorgde voor de bizarre sensatie dat ik nóg vier vogels tegenkwam die we op de Big Day gemist hadden. Goudhaantje, kuifmees...





...vrouwtje kleine bonte specht




de enige compleet zwart-witte bonte specht, en...



...een mannetje sperwer.



Als je de zang van de gekraagde roodstaart kent dan is die vogel, op de juiste plek, een stuk minder moeilijk te vinden.




Een paartje heggenmus. Mannetje en vrouwtje hebben een identiek verenkleed. (Af en toe leer je hier nog iets.)





Nog een paartje. Raven

Solo Big Day

In een aanval van hoogmoedswaanzin meende ik de Bigdayscore van een weekend eerder wel te kunnen verbreken. Ik zal jullie het lange verhaal besparen.




Liever wat foto’s van het KP-steenuiltje dat ik tegenkwam. 




En dat ik waarschijnlijk ettelijke malen heb gemist door alleen naar de andere kant van de weg, richting zijn nestkast te kijken.




Of van deze boomvalk. In tegenlicht. Waardoor ik hem voor een slechtvalk aanzag. En het dus naliet om de iets verderop broedende slechtvalk te bezoeken. (Ik schrijf het maar weer op, want stommiteiten zijn leuker om te lezen dan perfecte determinaties. Qua entertainment.)




Of van mijn eerste zelfontdekte krooneend. Mijn moment met hem werd nog verstoord door een ijsvogel die zo nodig door het beeld moest vliegen toen ik de eend aan het vogelgraferen was.

Na zo’n honderdvijftien kilometer fietsen kwam ik tot negentig vogels. Om elf uur ‘s avonds, in het pikkedonker, op de uitkijktoren in de Groenlanden, kreeg ik het vage silhouet van mijn allerlaatse vogel in de kijker. Als ik die dag géén ooievaar had waargenomen, dan was ik gesprongen! (Van de onderste etage.) (In het gras.)


Voor 2020 hoef ik nu qua algemene soorten volgens mij alleen nog maar de zwarte mees (lastig), de nachtzwaluw (makkie) en de bosuil (best te doen als de takkelingen gaan bedelen.) Alles daarnaast is mooi meegenomen. Kom maar op, rode wouw, zomertortel en, laat ik eens gek doen, zeearend!