donderdag 5 maart 2020

Zingende klapekster, sijs-acrobaten, ontplofte ooievaar

(Leestijd: veels te lang.)



Ik had me er al eens in vergist. Doordat op de video de snavel van de klapekster zich opende op hetzelfde moment dat een in de buurt zittende vink een piep liet, was ik in de veronderstelling voor het eerst van mijn leven een ‘zingende’ klapekster te hebben gehoord en gefilmd. Déze keer zag en hoorde ik het echter goed. Ondanks de grote afstand en de harde wind was het me duidelijk dat de vogel een behoorlijk tijdje zat te zingen. De video is kwalitatief zwaar beroerd, door eerder genoemde omstandigheden, maar levert wel het bewijs: de ooijpolderklapekster is niet stom! 

Wat zou het mooi zijn als er een partner op afkwam. En ze samen een nest zouden bouwen. Helaas zijn er in Nederland al sinds 1999 geen broedgevallen van de klapekster bekend. Vorig jaar is hij na 23 februari niet meer op deze plek gemeld. (Ik schrijf dit op de achttiende.) Misschien blijft hij dit jaar wat langer omdat hij op de cover van de Eppo heeft gestaan. (Klapeksters hebben een enorm ego.) 

Edit: na 29 februari niet meer gemeld. Toch maar weer elders op zoek naar een partner.




Zo’n ijsduiker kan weken/maandenlang op één plek blijven. Maar voor hetzelfde geld is hij na drie dagen verdwenen. Voor mijn noodzakelijke levensgenot en wegens vlakbij heb ik hem voor de zekerheid dus al snel een tweede keer bezocht.





Dankzij een uit het niets opdoemende, gansopjagende fotograaf aan de overkant van de plas, kwam hij ook nog een eindje mijn kant uit gapen.





En heb ik mijn eerder gewenste uitflappendevleugelsfoto kunnen maken. Beetje donker. Geen glinsterlichtje in zijn oog. Maar toch een leuk en aardig bewijsplaatje.





Hoewel ik dit plaatje een stuk leuker vind. (Ik plaats mijn foto’s altijd zo klein om te maskeren dat ze nogal eens aan scherptegebrek lijden. Maar dat hoeft niemand te weten.)





Op waarneming.nl stond een ‘escape’-symbooltje bij mijn melding. Het werk van een ijverige admin, dacht ik in eerste instantie. Omdat de patrijzen zo onschuw waren leek het me ook te kloppen. Het bleek echter aan een uitgegleden Mars-Gremmen-vingertop te wijten. Er wandelen en fietsen zoveel mensen in het gebied waar ze zitten, dat ze ook wel onschuw moéten zijn om te kunnen overleven. Die oranje gezichtjes blijven beeldschoon!





Het januaripaapje zat in hetzelfde gebied nu een februaripaapje te zijn. Blijft bijzonder dat hij in ons land overwintert. Wel een eenzaam vogeltje.





Op de bodem zie ik ze niet zo vaak. Al helemaal niet naast een koolmees.




Dus deze beganegrondboomklever moest toch echt even gedocumenteerd worden.




De roodkeelduiker die al maanden in de Kraaijenbergse Plassen vertoeft, maar mijn gretige blik steeds weer weet te ontduiken, was al twee dagen op hetzelfde, makkelijk bezichtbare punt in Plas 7 gezien. Nu moést het toch eens lukken om deze dipduiker fatsoenlijk te zien en een plaatje te schieten waar de pixels niet van afbrokkelen. 

Ter plekke had ik hem vrij snel in de smiezen, tussen een flinke groep futen. Maar was ik hem net zo snel weer kwijt. Alsof-ie zich tien minuten lang onder water zat te verstoppen. Wat me aan de lange kant lijkt. Maar wat weet ik nou helemaal. De tweede keer zag ik hem wat langer. Om hem vervolgens weer tien minuten van het toneel te zien verdwijnen. Inmiddels had ik wat collegavogelaars aangetrokken en samen met één van hen kon ik de duiker voor de derde keer kort bekijken. Waarna hij weer verdween en ik hoognodig in beweging moest komen om de kou van me af te fietsen.




Onderwijl weer wat 2020-vogels aan mijn lijst toevoegend: baltsende waterral (laat zich zelden zien. Laat staan vogelgraferen.) en toendrarietgans. Van die laatste kon ik een weinig opwindend bewijsplaatje schieten.





Weer terug langs dezelfde plas. En verhip; de roodkeelduiker was weer aanwezig. Samen met de futen hield hij een siësta. 





Ik zag nu goed dat het in vergelijking helemaal niet zo'n grote vogel is.



Een achter mij langsrijdende tractor deed hem even ontwaken. 





Hij kneep zijn ogen opvallend vaak dicht.





Een vriendelijk gezicht heeft deze vogel. Dat komt waarschijnlijk door dat Kuifje-oog en de lichtjes opwippende snavel.


Ik heb nu in een paar maanden tijd drie verschillende, verdwaalde duikers kunnen zien. Goede gelegenheid om wat foto’s onder elkaar te leggen en ze te vergelijken.





Van boven naar beneden: 

Roodkeelduiker, Kraaijenbergse Plassen, 21 februari 2020.

IJsduiker, Bemmelse polder, 18 februari 2020.

Parelduiker, Bisonbaai, 19 november 2019.

De verhoudingen kloppen niet, het licht is niet overal goed, de vogels staan er incompleet op. Dus het is een beetje behelpen. Beter is om de verschillen in dit stuk op de website van de Vogelbescherming te bekijken en belezen. Of gewoon je vogelgids te raadplegen.




In zomerkleed zijn ze natuurlijk veel makkelijker van elkaar te onderscheiden. Vooralsnog heb ik alleen de ijsduiker befietsbaar in prachtkleed kunnen aanschouwen. 
Giesbeek - Rhederlaag, 4 november 2017.

Nu nog een niet-compilatiefoto waar ze met hun drietjes op staan...



Ik kwam er achter dat ik nog geen foto van een smient op waarneming.nl had geplaatst. Gelijk maar de eerste de beste smienten die ik tegenkwam vastgelegd. Te ver weg. En het begon al wat te schemeren. Maar alles beter dan géén smientenfoto op waarneming.nl. Zeg nou zelf.





Ook weer wat dood in mijn blog. Want we hebben het wel over de natuur hier. Voordat ik deze haas die het haasje was (sorry) tegenkwam, zag ik al een viertal buizerds in de lucht zwieren. Ik neem aan dat zij het oog en het achterste van deze arme jongen hebben weggepeuzeld. 

Tijdens het fotograferen werd ik gepasseerd door een hardloper. Die nu vermoedelijk denkt dat hij ternauwernood aan een seriemoordenaar in de dop is ontsnapt.




Wacht even, zit de ijsduiker er nog steeds? Check: ja. Nog steeds in slaperige toestand, zo te zien. Op 25 februari zit hij er dan precies 13 dagen. De dagen erna is hij niet meer gemeld. Had ik misschien toch niet achter hem aan moeten borstcrawlen.

Wacht nog een keer even! Op 28 februari is hij weer gemeld. Blijkbaar is hij geen dagelijkse trekpleister meer voor waarneming.nl-gebruikers.




Smienten! Nóg meer smienten! Jahoe!

Zo'n achtenvijftig eenden, waarvan de meerderheid mannetjes. Die zoals gewoonlijk weer een stuk mooier zijn dan de vrouwtjes. Net als bij mensen. (Wij mannen moeten voor elkaar opkomen.)



Ter informatie.




Keukenraameksternest. Mijn hoop is dat de eksters verjaagd worden door een krakend paartje ransuil. Dat er heerlijk gaat zitten broeden. En dat de boom besluit dit jaar nou eens een keer géén bladeren te laten groeien. 

Dichterbij staat een boom met nog twee nesten. Eens zien of daar ook gebroed gaat worden. Ik hoef straks de deur niet meer uit voor mijn vogelgenot.




Ik ben te lui om intensief meeuwen te determineren. Het is ook heel moeilijk. Om de verschillende soorten toch op mijn jaarlijst te krijgen, schiet ik in het wilde weg foto's als ik weer een paar joekels zie zitten. Met behulp van beeldherkenning en de waarneming.nl-admin kan ik zo vrij moeiteloos aan bijvoorbeeld een geelpootmeeuw (met roze poten!) komen. En stiekem leer ik telkens wel steeds weer een klein stukje bij natuurlijk.




Een volwassen kleine mantelmeeuw (met gele poten!) lukt me ter plekke nog wel te identificeren.




Eindelijk mijn ringmussen kunnen binnenharken. Staat Mars mooi weer even nummer 5 in de vogelwerkgroepjaarlijsten. Met precies honderd befietsbare vogels. Istie blij mee, joh! Een kinderhand is gauw gevuld.





Daar lig je dan met al je hippe armbanden. Kop afgerukt! Het schijnt dat je het ringnummer kunt doorbellen naar de eigenaar. Maar dat is roofvogelverraad. Dus dat doe ik niet.




Stiekem hoopte ik op een vrouwtje topper. Maar daar is haar rug echt te donkerbruin voor. En sommige ellendige kuifeenden hebben nu eenmaal ook zo’n witte vlek boven de snavel.




Ik was oprecht blij met mijn 2020-goudvinken. Alsof ik ze voor de eerste keer zag. Twee vrouwtjes en een mannetje. Moeilijk te vinden, omdat ze zacht en onopvallend zingen/roepen en zich nauwelijks bewegen. Voordeel is dat je ze, als je op gepaste afstand blijft, daardoor ook goed kunt bekijken. Alleen dat door die takken heen vogelgraferen blijft een crime. Ze zaten zich helemaal vol te proppen met ontkiemknopjes. Of hoe heet het. De reden waarom o.a. fruittelers een stuk minder enthousiast zijn over deze prachtvogels. Links het mannetje.





Ik vermoed dat waarneming.nl-fotoherkenning een kokmeeuw op een slechte, onscherpe foto al snel aanziet voor een zwartkopmeeuw. Een doodgewone kokmeeuw krijg je doorgaans immers prima op de foto. Dus de fotoherkenning wordt niet getraind in slechte kokmeeuwplaatjes. Terwijl hij dat van de zwartkopmeeuw vermoedelijk gewend is. De meeuw op deze foto werd met 97,5% zekerheid voor zijn zeldzame familielid aangezien. Maar het is (helaas) toch echt een kokmeeuw.



Dat was nu eens aardig. De sijsjes hoog in een els waren zo vriendelijk om zich te verplaatsen naar een veel kleiner, vrijstaand boompje. 






Zodat ik toch nog wat redelijke plaatjes van deze lastig te vogelgraferen acrobaten kon schieten. 






Door al het takkenwerk en de harde zon echter toch wat minder aardige foto’s dan ik gehoopt had. 




De sijzen deelden hun els samen met wat putters.


Leuk dat ik hun ‘zang’ inmiddels in mijn hoofd heb. Vogelzangherkenning blijft altijd een feestelijk moment.



Het ene moment zoek je je suf naar een ringmus, het volgende struikel je er bijkans over. Bij wijze van spreken. Deze jongen zat op een plek waar ik al eerder tevergeefs intensief naar hem gezocht had. Hij zat er samen met twee soortgenoten. Niet echt een megaclub dus.





De bemmelsedijkooievaars zijn weer terug op hun vaste plek. Waar ze heerlijk met elkaar zaten te knuffelen. Omdat je ze vanaf de drukke dijk bijna op ooghoogte kunt bekijken, staan er altijd wel mensen te vogelgraferen als je het nest passeert.





En nee, de rechtervogel had geen ontplofcadeau van de lol-ooievaar ontvangen. Het was de wind.





Nog ééntje dan. Omdat het zo’n fijn lentegevoel geeft. 
Je kunt hier goed zien dat eyelinerfabrikanten een goede klant aan de ooievaar hebben.

 



Ik wilde de ijsduiker herkenbaar samen met de Bemmelse Mauritstoren op de foto zien te krijgen. Hopelijk blijft hij nog een tijdje voor een nieuwe poging... Typisch trouwens dat zo’n vogel niet even naar de plas ernaast verhuisd. De ijsduiker van een paar jaar geleden bleef (afwisselend met de Bisonbaai) ook alleen op deze plas. Zou dat met de diepte van het water of het voedselaanbod te maken hebben? Of zouden er andere redenen te bedenken kunnen zijn? Stuur uw oplossingen naar...





Ik zie ze weer steeds vaker. Een van de eerste vogeltjes waar ik verliefd op geworden ben. Roodborsttapuit. Tussen twee planken had ik hem nog niet vastgelegd. Hij moet nog wat doorkleuren naar zijn prachtkleed.




Dat was lullig. Terwijl een vogelgraaf zijn megacamera stond te installeren om de vers aangevlogen achttien grutto's in Waterrijk-Oost te schieten, bewoog ik me iéts te vrijpostig en vlogen ze naar een eilandje verderop. Normaal gesproken zijn de vogels daar wel gewend aan vogelaarbezoek. Maar ik had er niet aan gedacht dat daar wel wat gewenningstijd voor nodig is als ze net gearriveerd zijn. Diep beschaamd afgedropen. Niet in elkaar geslagen.




Ik schiet in een lachje als ik de trap af vlieg. Dit is volslagen idioot gedrag! M. had twee minuten eerder vanuit Persingen gebeld dat ze een kleine rietgans in haar telescoop had. Daar hadden we een paar dagen eerder nog tevergeefs naar gezocht. Of nou ja, ik was losjes met mijn verrekijker langs de honderden kolganzen gegaan. En M. was fanatiek ringen aan het zoeken om af te lezen. 




Het geluk is met mij als ik na mijn snelste fietsrit ooit in Nederlands kleinste kerkdorpje aankom; de gans zit er nog. Mooi vooraan de kudde. Roze poten, relatief korte hals, snavel met roze vlek. Te weinig tijd voor een betere, ongehaaste foto. Tussen het bijkletsen met M. door was-ie er ongemerkt vantussen gegaan. Wel een mooie, hier zeldzame vogel om dit blog mee te eindigen. Dat dacht ik op de trap al.

zondag 16 februari 2020

Hoogwater en februaristorm



Zo'n 130 tot 150 kramsvogels in een weiland. Samen met zo'n 300 spreeuwen. Maar dat aantal is voor die laatste soort alweer een stuk gewoner. 



Ik kreeg ze lang niet allemaal op de overzichtsfoto. 




Een collegavogelaar vertelde mij dat hij jaren geleden naar Limburg was afgereisd om een middelste bonte specht te kunnen zien. Vandaag de dag is het een kwestie van twintig minuten fietsen. Het gaat hier goed met de vogel. 





Eerlijkheidshalve moet ik zeggen dat ik pas bij bosbezoek twee de mibo op mijn 2020-jaarlijst kon bijschrijven. Twee vogels zelfs.





Het ietwat krakende geluid in de boomtoppen kon ik niet direct thuisbrengen. Even later zag ik ze met z’n drieën bakkeleiend door het bos vliegen en viel het kwartje. Grote lijsters. Had ik gelijk kunnen weten. Want ik had ze daar al eerder gezien.





Na de middelste bonte spechten fietste ik langs een akkerland waar ik eerder veertien watersnippen had geteld.





Nu zaten er vierenveertig! Verspreid over de akker.





En mooi in het zonnetje, dus ik heb opnieuw wat plaatjes geschoten. Waarvan deze mijn favoriet is. Op de een of andere manier fascineert deze foto me. Alsof er zich iets tussen deze twee snippen afspeelt waar ik geen weet van heb. Veel verder dan "Heb jij al iets gevangen?" zal het echter wel niet gegaan zijn.





Extra leuk als er tijdens het watersnipwatchen een grote gele kwikstaart in de sloot voor je landt.





Door naar het hoogwater. Uiterwaarden in de Gelderse poort waren veelal onbetreedbaar zonder zwemvliezen aan je voeten. Maar goed kijken vanaf de dijk kan ook bijzondere natuurwaarnemingen opleveren. Zoals dit reetje op een krib. Totaal onzichtbaar zonder verrekijker. Lees: is het niet óntzettend knap dat ik hem daar heb ontdekt?






Heel bijzonder was de vondst van deze vogel. Die je normaal gesproken alleen maar ziet als-ie in het bos vlak voor je neus in paniek opvliegt. De gehoopte voor het water op hun burcht gevluchte bevers kwam ik niet tegen. Maar deze houtsnipwaarneming was me veel meer waard. Ook al bewoog hij nog geen milimeter. (‘Of is het toch een stuk hout...?’) Ik kon hem alleen maar op grote afstand vanaf de dijk, vanuit deze hoek, door de takken heen vogelgraferen.





Een uurtje of wat eerder had ik zijn borst tussen de ganzen nog anderhalve seconde voor die van een roodhalsgans aangezien. (Toch weer wat gratis opwinding door mijn lijf.) Nu was het natuurlijk gelijk overduidelijk een mannetje fazant.





Zondag 9 februari: storm! Hét moment om een plaatje van een stormmeeuw te schieten. Slechts één exemplaar tussen de kokmeeuwen. Hij staat vlak voor het stormgolfje natuurlijk.






Twee dagen later. Het is voor mij de sport om steeds een dier op mijn foto’s te krijgen. Bij deze kanovarende mannen in de Lentse waard heb ik helaas gefaald. Ik hoopte nog even op wat langsvliegende zalm. En een gryzzlybeer.





Het heeft toch nog een tijdje geduurd voordat ik hem dit jaar met zekerheid in beeld kreeg. Roodborsttapuit. Kon zich nauwelijks vliegende houden in de wind. 





Pas bij thuiskomst zag ik dat ik foto's van twee vogels had genomen. Mannetje en vrouwtje. Ze verstopten zich steeds in het struweel. Pas gearriveerd of overwinteraars? Stuur uw oplossingen naar...




Het water staat nog steeds hoog. Kokmeeuwen zal dat ‘n zorg zijn. Sterker nog, die weten wel raad met langsdrijvende drenkelingetjes.





Nog meer dierloze foto’s. De Oranje Nassau III in de storm levert desondanks een behoorlijk spectaculair plaatje op.





Ook de Damina-K had het niet makkelijk.




Nog meer geplons. Beeldrijm! Deze keer wat badderende spreeuwen in een weiland. Vergezeld door zo'n achtenveertig kramsvogels. 




Of een ijsvogel zich iets van het hoogwater aantrekt? Je zou denken van niet. Er drijft wel flink meer troep in het water. Wat het duiken zou kunnen bemoeilijken.





In 2016 kon ik mezelf voor m'n verjaardag op een Syberische braamsluiper én een roodhalsgans trakteren. De jaren daarop probeerde ik die stunt tevergeefs te herhalen/evenaren. Ook dit jaar kwam ik niet verder dan zeven puttertjes.




En een dode haas. Waar even eerder nog een buizerd op zat. Volgend jaar hopelijk weer meer geluk.




Mooi vanaf de Oosterhoutse Waaldijk te zien: de slechtvalkbroedkast. Mét, toen ik er langsfietste, een paartje slechtvalk. Het verschil in grootte is duidelijk te zien. De kleinste is het mannetje. 





Mijn eerste 2020-patrijzen. Vier stuks. Tenminste, zoveel heb ik er gezien. 





In het struweel zouden er best wel meer hebben kunnen zitten. Lekker onzichtbaar. Wegduikend voor enge mannen op de dijk.




Ik hoopte tegen beter weten in dat de twee eiders nog in de Slijk-Ewijk-plas zouden zitten. Onderweg kwam ik wél Opa van de Boerderij tegen. Het stripfiguurboertje dat geschreven en getekend wordt door collega Herman Roozen. Die verdient een mooi plaatsje in mijn blog.




























Doe ik er ook nog een oud verjaardagskarikatuurtje van Herman bij. Samen met Billy Bankbiljet. Een gezamenlijke creatie van een hele poos geleden.

Morgen maar eens kijken of de laat op de dag ontdekte ijsduiker nog in de Bemmelse polder vertoeft.





En óf hij er nog vertoefde! Samen met o.a. ontdekker J. en haar man E. heb ik van deze forse duiker kunnen genieten. Heel even zwom hij redelijk dichtbij. Daarna zag ik hem alleen nog maar van grote afstand. Ter plekke leek het steeds of hij vlakbij de oever aan de overkant zwom. Gezichtsbedrog. In werkelijkheid zwom hij veelal midden in de plas.




Dus dan probeer ik er maar weer wat herkenbaar decor bij te schieten.





Of een koe.




Of een knobbelzwaan.




De sport is om hem met gespreide vleugels of met een prooi in zijn snavel te vogelgraferen. Da's heel lastig als hij honderdmiljoenmiljard meter verderop zit.




Het is nog maar 15 februari en de eerste Arnhemse grutto's zijn alweer gearriveerd. Voorbodes van de lente. Dus van harte welkom. (Al op 8 februari voor het eerst gesignaleerd vlakbij Waterrijk-Oost. Toen nog Nijmeegse grutto's.)



En een mooi duo om dit blogbericht mee af te sluiten.