zaterdag 13 juli 2019

Grote vos, scheefbloemwitje, zwart- en geelsprietdikkopje, kolibrievlinder



Met 99.4% zekerheid het karkas van een hondshaai op mijn balkon. Héél bijzonder. Afgaande van het bosje veren dat ik weken eerder bij het boldraadrooster vond, ga ik toch maar uit van een houtduif of Turkse tortel.

 
Dat betekent dat er zeer vermoedelijk een sperwer heeft zitten lunchen op mijn balkon. Zonder dat ik er ook maar iéts van gemerkt heb. Laat staan een foto heb kunnen nemen. Ik ga even stilletjes een traantje laten om zoveel onrecht.




“Mag ik vragen wat je aan het fotograferen bent?”
“Géén grote weerschijnvlinder”, antwoord ik de fotograaf, terwijl mijn model, een azuurwaterjuffer, de vleugels neemt. “Die wil zich maar niet aan mij laten zien. Met vogels heb ik veel geluk maar wat vlinders betreft ben ik vaak een pechvogel”. 




Ik heb het nog niet gezegd of er fladdert een vlinder langs ons heen. Even denk ik dat het de dagpauwoog van even eerder is. Dan landt hij heel kort op een boom en roepen de fotograaf en ik bijna gelijktijdig: “grote vos!” 

Voor ons allebei de eerste keer dat we hem zien. En minstens zo zeldzaam als de grote weerschijn. We hadden net tijd genoeg voor een bewijsplaatje. Hij ging er vliegensvlug vandoor.




Het was me echter al eens opgevallen dat vlinders vaak dezelfde route herhalen. Ook deze keer. Na een half uurtje zag ik de grote vos weer fladderen en landde hij op precies dezelfde boom. Helaas nét achter een wilde lijsterbes (?). En precies naast dé 2019-zomerplaag: de eikenprocessierups. Om de vlinder te kunnen fotograferen boog ik met ‘gevaar voor eigen leven’ het prille boompje opzij. Hij glipte echter uit mijn vingers en knuppelde bij het terugzwiepen bijkans mijn vos dood. Die ging er natuurlijk als een speer vandoor. Om zich vervolgens niet meer te laten zien.




Die voor mij o zo lastige grote weerschijnvlinder dan nu. Twee keer zag ik hem metershoog langs de eikenbomen voorbij schieten. De derde keer landde hij gelukkig. En ging hij zo zitten dat ik hem ondanks de grote afstand goed in beeld kreeg. 

Ieder jaar zie je jaloersmakende foto’s van grote weerschijnvlinders op de schoenen van fotografen. Het kwartje waarom ze dat doen viel toen de eerder genoemde fotograaf mij vertelde dat deze vlinder op de geur van oude kaas afkomt... Mijn weerschijnvlinder bleef maar bewegingsloos, met ingeklapte vleugels, hoog op z’n tak zitten. Na eerst gekeken te hebben of er niet iemand aankwam, trok ik één schoen uit. Voor de eerste keer in mijn leven in de hoop dat er een onweerstaanbare oude-kaasgeur uit zou opstijgen. Helaas, de vlinder bleef zitten. Wéér geen foto van de prachtige donkerblauwe glans op zijn bovenvleugels. Dan maar blij wezen dat ik deze zeldzame vlinder überhaupt in het gebladerte heb weten te kieken.

Edit: volgens boswachter T. “lurken” grote weerschijnvlinders zweet. Bij een volgend bezoek eerst drie rondjes door het gebied heen trimmen dus. Of, in mijn geval, een half rondje.




Mijn 'pech met vlinders' kan ik ook wel weer intrekken. Op weg naar huis m'n eerste, ook al zeldzame, scheefbloemwitje. Deze keer had Obsidentify het bij het juiste eind.

Hoeveel (dag)vlindersoorten zou ik inmiddels eigenlijk gezien hebben? Achtentwintig stuks, zie ik op mijn waarneming.nl-levenslijst. De persoon met de meeste waarnemingen in het werkgebied komt tot zesenveertig vlinders. Daar zitten nog vrij algemene soorten tussen, dus die moest ik maar eens gaan opsporen. Te beginnen met de dikkopjes.




Het groot dikkopje had ik al een paar keer gezien.




Maar het zwartsprietdikkopje is nieuw op de lijst.




En het steeds zeldzamer wordende geelsprietdikkopje had ik ook nooit eerder gezien. Natuurlijk moeten ze weer zonodig als twee druppels water op elkaar lijken.




Verhip, een kolibrievlinder! Die hoopte ik al jaren eens tegen te komen! Zo snel als hij verschijnt, verdwijnt hij ook weer. Verder dan met een vaag bewijs-screenshot kom ik helaas niet. Hij mag ook niet op de dagvlinderlevenslijst. Het is een overdag actieve nachtvlinder. Toch mijn lijst kunnen afronden naar dertig dagvlinders. Ik ben niet ontevreden.




Mijn libellenlevenslijst is nog aan de korte kant. Veertien stuks. Op nummer een staan twee waarnemers met maar liefst drieënvijftig libellen. Mijn laatste aanvulling is deze eileggende (vermoed ik) grote keizerlibel. Die keer op keer door hongerige kikkers werd belaagd.






Ik keek er ook van op. Merkwaardige plek voor twee nijlganzen.




Al heel lang hoopte ik hem voor de tweede keer te zien. Nu reed ik bijkans over hem heen. Geen slang maar een hagedis zonder pootjes: hazelworm(pje). Midden op een bosfietspad en helaas gewond. Twijfelen tussen met spoed de dierenambulance bellen, euthaneusie bedrijven of de natuur zijn beloop laten gaan. Ik koos voor het laatste en hielp hem de weg over.




Volgens mij is hij niet meer als kerk in gebruik. Dus ik denk niet dat de ooievaar een baby'tje heeft gebracht voor meneer pastoor en zijn huidhoudster.




Op m’n computerscherm zag ik pas dat hij gespietst lijkt te zijn. Vermoedelijk leunt hij alleen maar tegen het ijzeren uitsteeksel aan.





Blijft leuk, jonge futen die meevaren op de rug van pa of ma.





Ze moeten er eerst wel op zien te komen natuurlijk. Af en toe had ik het idee dat de ouders hun jongen bij het klimmen bewust tegenwerkten. Maar dat zal wel misinterpretatie zijn. Ik weet het niet.





Dit paartje had twee jongen. Futen leggen gemiddeld drie tot vier eieren. Dus er zijn wellicht al wat broertjes en zusjes gesneuveld.





Verstekeling op m’n fiets! Atalanta.





Ze zijn soms wel heel mooi hoor, die libellen. Of juffers, in dit geval. Grote roodoogjuffer, om precies te zijn. Aan zulke namen heb je tenminste wat.





Bruine sprinkhanen. Ik vrees dat ik ze gestoord heb tijdens het uitvoeren van hoofdstuk 7 uit de Kamasutra.




In eerste instantie zag ik alleen een groene specht ver weg op het pad zitten. Thuisgekomen bleek het donkere vogeltje naast hem ook een specht te zijn. Grote bonte specht. Samen op één foto! Dat zal toch niet zo heel vaak gebeuren, vermoed ik.




Het wordt nog leuker, want er bleken twéé groene spechten te ziitten. Een volwassen vogel en een juveniel. Dit soort waarnemingen met gewone, algemene vogels vormen toch weer een leuke krent in de vogelaarpap. Die krent hoeft heus niet altijd een zeldzaam vogeltje te zijn.

Nog steeds geen 2019-wespendief bij z'n kladden kunnen grijpen. Wellicht een volgende keer.


vrijdag 21 juni 2019

Zadellibel, kleinst waterhoen en kleine parelmoervlinder



“Hij zit er al de hele week. Misschien wel twee weken.” 
Het verbaast me dat het meisje me durft aan te spreken. Moet toch een vreemd gezicht zijn, een man in poephouding, met de handen achter zijn oren, op een pikdonkere Duffeltdijk. Maar ik ben natuurlijk niet de eerste vogelaar die de zéér zeldzame kleinst waterhoen hoopt te horen zingen. Ze vergezelt me samen met haar hond om me de juiste luisterplek aan te wijzen. Alwaar de vogel zich onophoudelijk laat horen en zijn geluid nét niet wordt overstemd door een enorm kikkerkoor. Ik zie dan ook het drietal vogelaarsporen in het hoge dijkgras, die ik had gemist toen ik er langs was gefietst.

De avond begon al goed met roepende jonge bos- en ransuilen. De nacht gebruikte ik om de drie eerder getipte kerkuilplekken nog eens te bezoeken. Deze keer alledrie met succes. Met als hoogtepunt deze ijzingwekkende kreet uit een nestkast aan de dijk. (Het geluid staat zacht.)

Tijdens een nachtelijke plasstop zie ik voor het eerst van mijn leven een vallende ster. In een fractie van een seconde. Natuurlijk had ik ter plekke driehonderdzevenentachtig andere vallende sterren moeten wensen. In plaats van die schrale een miljoen euro. Vergeten mijn bankrekeningnummer bij de wens te vermelden ook nog. Maar ik heb er alle vertrouwen in dat het goed komt. Die nieuwe fiets komt eraan.

Kleine parelmoervlinder 1



Ik zal het gelijk maar verklappen; ik heb ‘m niet kunnen vinden, de hier zeldzame kleine parelmoervlinder. We gaan heel hard richting zomer. (Ik schrijf dit op 13 juni.) Niet de meest vogelrijke periode. Dus een hoop vogelaars ‘doen er vlinders bij’. Verder dan met wat hooibeestjes, een bruin zandoogje, een atalanta en een distelvlinder (foto) kwam ik deze middag echter niet.



Wel kwam ik wat uitgevlogen jong spul tegen. Zoals deze roodborst. Die nog niet goed wist hoe ze op mij moest reageren. (Gewoon even stilzitten en lachen naar de camera.)



En dit grasmusjong dat hier een rups krijgt toebedeeld.





Misschien wel het allerleukst; deze kuifmeesjes. Waarvan het jong hoog in de boom werd gevoerd.





Hoewel deze juveniele gekraagde-roodstaartjongen qua allerleukstheid aardig in de buurt van de kuifmezen komen. 



Soms wordt er nog aan nageslacht gewerkt. Al moest dit vrouwtje kuifeend niks van het mannetje hebben. Na wat agressieve paarpogingen kneep ze er snel tussenuit. Op haar eendenhielen gezeten door de ruwe Cassanova.

Niet zo gek overigens dat ik nog niet heel veel vlinders zag. Juni is een vlinderarme maand las ik hier. De meeste soorten zijn deze maand eitje, rups of pop.



Twee dagen na mijn verjaardag was 'mijn' Beleef-de-lente-zwarte-sternkuiken jarig. Eén jaar geleden bezocht ik meerdere keren per week de zwarte-sternkolonie in de Ooijpolder. Dit jaar ben ik er nog geen twee keer wezen kijken. Best wel gek eigenlijk. Voor de mensen die ze toch weer graag zien langskomen hieronder wat 2018-herhaalplaatjes van BDL-kuiken 10B.













Zou-ie nog in leven zijn? We zullen het nooit weten.

Kleine parelmoervlinder 2





"Je komt jou ook overal tegen!", roept vlinderaar J. als hij uit zijn auto stapt. Ik vraag hem of hij ook op zoek is naar de kleine parelmoervlinder. Dat is hij. En terwijl ik nogal ruwweg de Hatertse vennen naar dit zeldzame vlindertje zat af te zoeken, weet J. me rechtstreeks naar de juiste plek te leiden. Alwaar hij gelijk al bijkans bovenop het oranje schoonheidje gaat staan. Gevonden! Ik zag er twee, J. zag er drie. Lekker zonnend, midden op het zandpad. 



Later zie ik er ook nog een op een andere plek. Dus zonder J. had ik hem gelukkig ook wel gevonden.





Van dit prachtvlindertje kwam ik er meerdere tegen. Een ook overdag actieve nachtvlinder. Zuringspanner



Tijdens het eten van een broodje op een bankje word ik ‘opgeschrikt’ door twee krijsende torenvalken. In hoog tempo achtervolgen ze een ondefinieerbare roofvogel met iets in zijn klauwen. De roofvogel duikt het bos in. De torenvalken blijven nog geruime tijd rondvliegen boven de plek waar hij verdween. Het kán haast niet anders dan dat ze een jong aan hem verloren hebben. De actie verliep razendsnel, dus ik heb alleen een van-heel-veraf-plaatje van de twee overstuur geraakte valkjes kunnen nemen.



Witte reus. Zweefvlieg. Geen familie van het wasmiddel. Alleen al om hun namen zijn insecten leuk om te determineren.



Een dambordvlieg. Met eronder een dood konijn.



Groene specht. Schuwe vogel. Op een dood exemplaar na heb ik hem nog nooit mooi voor de lens gehad. Meestal krijg je van dit soort, onscherpe, lange afstandfoto's. Die je dan tussen allerlei in de weg hangend takkenwerk moet zien te maken. Nou ja, uitdaging voor de toekomst; een mooi groene-spechtplaatje.



Hoe vaak ik al niet over het fietspad richting Groesbeek ben gereden met de verwachting een zandhagedis tegen te komen, wil je niet weten. Deze keer had ik eindelijk beet. En kon ik wat digitale plaatjes van hem schieten. Terwijl de nieuwsgierige/achterdochtige fietsers langs mij heen scheerden.



Eigenlijk ben ik niet zo van de libellen. Ze betekenen meestal: het weer is veel te warm en de vogels zijn op. Maar als ze mooi stilzitten dan schiet ik wel een foto. Waarneming.nl herkent sinds een tijdje automatisch het merk. Lang zoeken naar de naam hoeft dus ook al niet meer. Wat ik best wel lullig vind voor de mensen die jarenlang op deze insecten hebben zitten studeren om tot een juiste determinatie te kunnen komen. 



Normaal gesproken komen zadellibellen niet of nauwelijks voor in Nederland, maar door de stormen van afgelopen week is deze libel met kilo's tegelijk (ik overdrijf) vanuit Afrika deze kant op gewaaid. Door heel Nederland komen meldingen binnen van deze dus zeer zeldzame soort. Eigenlijk had ik er op gerekend dat ik hem niet zou zien op de plek waar hij eerder waargenomen was. Maar na een klein uurtje libellen inspecteren en fotograferen, kwam er zowaar een forse libel langsracen met een helder, lichtblauw ‘zadel’ op zijn rug. Een leuke verrassing! Wat later was er zelfs sprake van copulatie met een tweede exemplaar. Waardoor ik dacht met uniek beeldmateriaal thuis te komen. Totdat ik de andere foto’s op waarneming.nl bekeek. Eén grote zadellibellenorgie! 

Natúúrlijk is er ook weer een andere, iets minder zeldzame soort libel met zo’n blauw zadel. De zuidelijke keizerlibel. Maar die heeft groene ogen. Die van de zadellibel zijn bruin. Weet je dat ook weer.



Nog een libel omdat hij zo prachtig van kleur is. Dit is een zwervende heidelibel: blauwe onderogen en rode vleugeladers.



Die zwarte kraai op de eerste foto, wat was daar eigenlijk mee aan de hand?

Die had het bijzonder warm. Hij zat roerloos op een tak, nog geen drie meter van me vandaan. Met wijd open gesperde snavel. Op die manier verdampt hij vocht. Hij zweet als het ware. En dat leidt tot afkoeling. Ik kon zo langs hem heen lopen zonder dat hij de moeite nam zich iets van mij aan te trekken.

Voor de volgende keer staat er nog steeds een 2019-wespendief op het verlanglijstje.