maandag 5 augustus 2019

Schele uil, buizerdbel en een vuurlibel

Ik had de twee vogelaars op een overvliegende boomvalk geattendeerd, dus ik voelde me behoorlijk zelfverzekerd. Dat werd meteen afgestraft natuurlijk. De kleine vuurvlinder die ik ze even later aanwees bleek een oranje zandoogje te zijn.

De graszanger waarvoor we, ieder afzonderlijk, naar het natuurgebiedje waren gekomen zat daar al een week. En had me dagenlang blijven bezighouden met de zeurende vraag ‘zal ik tóch maar dat hele eind fietsen om die zeldzame vogel voor de tweede keer in mijn leven waar te nemen?’ Meer dan een af en toe uit het struweel opvliegend piepend, klein, bruin vogeltje zou ik vermoedelijk niet te zien krijgen. Met dat zeurende gevoel moest toch maar afgerekend worden. En ik hoopte op wat leuke bijvangst. 




Mijn voorgevoel klopte. Alleen het tegenlicht had ik er niet bij bedacht. Nou ja, vaag bewijsplaatje en vaag bewijsgeluidje heb ik weer kunnen binnenhengelen. Leuk voor de jaarlijst.






De bijvangst beperkte zich tot de boomvalk, een sperwer en deze grote sabelsprinkhaan. Die ik ondanks zijn groenekoolvermomming wist te ontdekken langs het pad.





Op de terugweg nog even langs de Beleef-de-lente-ooievaars in Gennep gefietst. Maar die waren niet thuis. Elders kwam ik vijftien Sint-Jacobsrupsen tegen...





deze puberkievit...



...en deze juveniele grote bonte specht. Die in de veronderstelling was dat ik hem niet zou zien als hij zich doodstil zou houden. Nou, dan kende hij mij nog niet!




Ook leuk: een overvliegende keukenraamsperwer! (Een paar dagen later thuis.)






Die is voor mijn levenslijst! Dacht ik toen ik deze juffer op een blad zag zitten. ObsIdentify maakte er echter een vrouwtje weidebeekjuffer van.


Een van de mooiste juffertjes. De mannetjes dan. En die staan helaas al tíjden op mijn lijst te pronken. Qua libellen zit ik nog in de fase dat ik bij elk niet eerder gezien exemplaar onmiddellijk in de veronderstelling ben dat het een nooit eerder in Nederland ontdekte soort is. Bij vogels ben ik daar gelukkig inmiddels wel van af.


Even twijfelde ik of er ook een graszanger in het natuurgebied bij Groesbeek was neergestreken. De roep ging echter onafgebroken door en ik zag niks baltsend door de lucht vliegen. Uit mijn vogelgeluiden-app klonk ook een heel ander graszangergeluid. Dus het moest een andere vogel zijn. Met mijn verrekijker gleed ik door het landschap richting de lawaaimaker en ontdekte ik iets bruins in een boompje.
In eerste instantie dacht ik aan een sperwer. Met mijn camera kon ik wat verder inzoomen. Een torenvalk? Wacht even, die afhangende vleugels ken ik. Een koekoeksjong! Ik heb nog twintig minuten staan wachten in de hoop op een glimp van een pleegouder. Tevergeefs. Wel weer een leuke waarneming.
Verrekijkerbijvangst, altijd leuk. In dit geval stuitte ik op een wespenspin. Het bruine zandoogje dat ik volgde ging vlak onder hem zitten. Let op het bijzondere zigzagmatje van deze opvallende spin. Hij steekt niet en komt bij mijn weten niet op limonade af.

Ze lijken op elkaar, beide parelmoervlinders. Boven de zilveren maan, onder de kleine parelmoervlinder. Beide zeldzaam in mijn omgeving. Net als die andere parelmoervlinder: de keizersmantel. Die hier heel af en toe gezien wordt. Helaas nog steeds niet door mij. Maar daar hopen we dit jaar eens verandering in te brengen. 




Die witte vlekjes op zijn ondervleugels doen me een beetje denken aan de vetdrupjes op de groentesoep van wijlen mijn dode omaatje.

Niet op deze foto te zien maar hij was piepklein (centimeter of vijf, zes) en zat met een aantal bijen/wespen op een houten bankje te zonnen. Levendbarende hagedis. Op de een of andere manier zie ik die tegenwoordig veel minder dan een jaar of wat terug. (Maar misschien was het niet de juiste tijd van het jaar.) Dit is waarschijnlijk ook de hagedissensoort die ik als kind onder een baksteen op het land van mijn oma ontdekte. Drie stuks maar liefst. Ik herinner me de vreugdesprong van mijn hart nú nog. Als je ze oppakte voelde je iets krullen in de staart en wist je dat je ze los moest laten om te voorkomen dat ze hem zouden afstoten. Ik heb ze tot we weer naar huis moesten in een zelfgebouwde ‘stadje’ laten rondkruipen. Wat een gemis dat mijn ouders me nooit bij een natuurclubje hebben gedaan. Denk ik nu. Voor meer van dit soort ontdekkingen. Moest ik als jongeling mijn gelukssprongetjes uit mijn tekenwerk zien te halen. Nou ja, ook leuk. Kost alleen veel meer moeite.

Als ik geweten had dat-ie zeldzaam was dan was ik wel even op de grond gaan liggen voor een betere foto. Nu ging ze naast me zitten tijdens mijn libellenjacht en schoot ik uit beleefdheid maar een snel plaatje van haar. Zompsprinkhaan. Hoeveel sprinkhaan/krekelsoorten zijn er eigenlijk in Nederland? Een kleine zestig, google ik. Met handige namen als krasser, zoemertje, wekkertje, ratelaar en locomotiefje. Weet je gelijk hoe ze klinken.
Ik voélde dat de twee jonge voorbijgangers zich zaten af te vragen wat ik aan het fotograferen was. Met het blote oog was hij door de grote afstand nauwelijks als groene specht te herkennen. Ze durfden me niet te storen en keken verbaasd op toen de specht kort daarop luid zingend vlak over ze heen vloog.




Eind juli, zitten we inmiddels. Eén dag na de twee verschrikkelijke warmterecorddagen. De keizersmantel kon ik helaas niet vinden op de Stuwwal. Wel deze dikke vuurlibel. Een nieuwe soort voor mij.





Sinds ik heb gelezen dat sommige vlinders op zweet- of oude kaaslucht afkomen vind ik het een stuk minder grappig als ze op je gaan zitten. Nou ja, misschien kwam deze gehakkelde aurelia wel gewoon op de warmte van mijn broek af...





Op een paar plaatjes met handgevangen exemplaren na, kom je op waarneming.nl nauwelijks foto's tegen van de vleugels van de landelijk zeldzame blauwvleugelsprinkhaan. Die moest ik dus zelf maar eens gaan maken. Het werd me gelijk al duidelijk wat de reden van dit gemis was. Niet te doen! Sprinkhanen zijn namelijk nogal springerig... Verder dan een tweetal onscherpe screenshotjes ben ik niet gekomen. Desalniettemin kun je haar opvallende vleugels aardig bekijken.




Heel ver weg maar wel leuk om samen op één foto te zien: gele kwikstaart en puttertje. Het vogeltje rechts kan ik niet thuisbrengen. Verhip, linksonder zit nog een gele kwik, zie ik nu.




Begin augustus. Schele steenuil. Ik zie geen buil op z'n voorhoofd, dus ik vermoed dat hij er geen last van heeft bij het vangen van zijn prooien.







In eerste instantie zag ik er drie, vier, zeven... uiteindelijk dertien in totaal. Een buizerdbel. Er vloog één vreemde jongen tussen.




Deze slechtvalk

Goed nieuws, de herfst is stiekem aan het beginnen! Mijn eerste najaarstrekwaarneming.







Nadat ik hem ontdekt had, tijdens het determineren van wat witgatjes, vond ik nog zo'n dertien platgereden exemplaren. Dit is een kleine watersalamander. Zijn dode medesalamanders vast ook.




Waterrijk Oost, bijna altijd goed voor een bruine kiekendief. Als je maar lang genoeg rondslentert. En bijna altijd op de grootst mogelijke afstand van jou vandaan. Middels een collage proberen we er maar weer wat van te maken.




Hij vloog over de Linge, dus ik kon hem ook nog voor mijn eigen werkgebied noteren. (Ik plaats dit beroerde plaatje omdat ik nog nooit eerder een foto van een bruine kiek die door een groengestreepte rups wordt achtervolgd heb kunnen maken.)




Ik eindig dit blog met een prachtig icarusblauwtje.




En een koninginnenpage in tegenlicht. 

Nog steeds geen wespendief!