zondag 21 april 2019

Vogelen met striptekenaars

"Het komt dus regelmatig voor dat ik mensen beledig, zonder het zelf in de gaten te hebben - boomklever!" R. en R. schieten in de lach. “Het lijkt wel of je Gilles de la Tourette hebt!” Nou ja, die boomklever begon precies aan het eind van mijn zin te zingen. En beide striptekencollega’s wilden met mij vogelen op de Duivelsberg. Dus ik moest wel even snel doorgeven welke vogel er aan het zingen was.
Ik had ze al gewaarschuwd dat vogelaars midden in een gesprek over de terminale toestand van tante Bep, spontaan kunnen gaan roepen dat ze een baltsende zwarte roodstaart op het dak horen. Dat valt niet meer te verhelpen. Beide partijen zullen daarmee moeten leren leven.

Nog stukken jonger dan ik en toch hadden de heren er na drie schamele uurtjes al genoeg van. Dus toen ging ik maar alleen verder naar de Millingerwaard. Waar ik direct al werd welkom geheten door mijn eerste 2019-gekraagde-roodstaart.







Op de weg erheen was ik nog gestopt voor twee fladderende koninginnenpages. Die pardoes op twee meter afstand van het fietspad in een boom neerstreken. Om elkaar vervolgens hartstochtelijk te beminnen. Wat een enorm geluk om dat te mogen aanschouwen, zul je denken. Maar ik had het een jaar eerder ook al eens gezien. Dus voor mij was het al een beetje gewoontjes.





Terug naar de Millingerwaard. Steek ik de dam over? Sla ik gelijk rechtsaf de bushbush in? Of wandel ik langs de Kaliwaal richting de plasjes waar wel eens wat steltlopers zouden kunnen zitten? Ik kies voor het laatste en nog geen vijf minuten later zie ik aan de overkant van het water een wel heel erg grote buizerd mijn kant op komen vliegen...






Met wel heel lange en brede vleugels. En een heel grote snavel. En een klein wigvormig staartje.





Ik mag altijd graag een beetje overdrijven. Maar deze foto is het bewijs dat de zeearend letterlijk op een vijftiental meter afstand récht over me heen vloog. Tegen R. en R., met wie ik in het bos alleen maar 387 zwartkoppen had gezien — nou vooruit, en een eekhoorn — had ik gezegd dat ik enorm ontevreden was over die score. En dat ik in deze voorjaarstrektijd minstens één bijzondere vogel wilde zien. Hier had ik ‘m zomaar op spectaculaire wijze bij de kladden.





Qua steltlopers was er niet zo heel veel te beleven. Eén groenpootruiter en een drietal kleine plevieren.





Verder richting vogelkijkhut. Maar daar liep net een groepje jongelui met gitaren naar binnen. Dan maar het linkerpad in slaan. Wéér precies de juiste keuze. Vlak voor mijn neus landde een wel heel donkere witte kwikstaart. Die kon zo weer verdwenen zijn. Wat ik dan doe is m’n camera zo snel mogelijk aanzetten en meteen al inzoomende beginnen te filmen. Dan heb ik in ieder geval altijd een bewijsscreenshot, mocht hij wegvliegen voordat ik voldoende ingezoomd ben voor een foto.




Een uitstekende ‘truc’. Wat je ziet zijn screenshots. De hier zeldzame rouwkwikstaart vloog ver weg de plas over, nog voordat ik op vogelgraferen kon overschakelen.





Ik was ‘s ochtends met de collega's op pad gegaan en het was inmiddels al half vijf. Het Abraham-lijf begon aardig tekenen van vermoeidheid te vertonen. Maar ja, ik had zóveel geluk dat ik besloot om het gebied nog verder in te trekken. Ik wilde het geluk tot de laatste druppel uitmelken. Toen ik kort daarna een opvallend stoere merel zag, verbaasde het me dus eigenlijk niet dat hij bij nadere inspectie een witte bef bleek te hebben. En ik mijn derde zeldzame vogel van die dag te pakken had.





Twéé zekere beflijsters zaten er. Er fladderde nog meer beflijsterachtig spul rond, maar die kreeg ik niet met zekerheid in beeld.





Na ter plekke nog een tijd rondgehangen te hebben in de hoop op een betere foto — ijdele hoop; beflijsters zijn zo schuw als de pest — besloot ik dan toch maar eens m’n fiets  te gaan opzoeken. 

Zelfs aan mijn weerzinwekkende hoeveelheid vogelaarsgeluk kwam een eind. De blauwe kiekendief die ik tijdens het openen van mijn fietsslot in een flits voorbij zag vliegen, en waarvan ik eerst nog dacht dat het een meeuw was, bleek een ordinaire buizerd te zijn. Een wel heel vernuekeratieve buizerd! Zelfs de waarneming.nl-admin toonde begrip voor mijn vergissing.

21:45 was ik thuis. Het eerste wat ik deed was R. en R. per mail vals inwrijven dat ze maar een klein uurtje hadden hoeven doorvogelen om een zeearend over zich heen te hebben kunnen zien vliegen. De andere zeldzame vogels heb ik niet genoemd. Die maken geen indruk bij niet-vogelaars. Bovendien zijn beflijsters altijd slachtoffer van dubbelzinnige grappen. Dat wilde ik ze niet nog eens aandoen.

Ik vergat nog wat gewonere soorten te noemen.





Zoals dit witgatje. Bij dezelfde plas hoorde ik een groenpootruiter. Maar de vogel was in geen velden of wegen te bekennen. Iets later hoorde ik hem nog een keer. Door de voordracht van een zanglijster heen. Beide op precies hetzelfde geluidsvolume. Toen viel het kwartje. Ik verwijderde de roepende-groenpootruitermelding van waarneming.nl en verving hem door de zanglijster. De zingende schavuit had de roep van een groenpootruiter in zijn repertoire opgenomen! Voor de liefhebbers hier te beluisteren.





Zo’n mooie voorbijvliegende ooievaar kun je niet ongevogelgrafeerd laten.





En van mijn eerste 2019-gehakkelde aurelia schoot ik ook een plaatje. Ik kwam die dag trouwens zeker vijf keer een koninginnepage tegen. En m’n eerste oranjetipjes. Die laatste zijn zo adhd dat ik ze niet of nauwelijks op de foto weet te krijgen.




In het vorige blog liet ik nog weten dat gaaien zo lastig te vogelgraferen zijn. En dan krijg je ze vervolgens natuurlijk achter elkaar mooi voor de lens.




De 2019-boompieper hebben we nu ook officieel binnengehaald. Ik moet bekennen dat ik er gemakzuchtig een onzekere graspieper van had gemaakt. Op de een of andere manier verwachtte ik geen boompieper in de Millingerwaard.

Dit wordt een echt Vogelen met collega’s-blog. Morgen ga ik met collega L. op pad in Waterrijk-Oost. Eindelijk die huiszwaluw eens ‘binnen tikken’. En misschien wel m’n eerste 2019-tapuit of paapje. Het meest hoop ik op een roepende roerdomp. Vorig jaar had ik in mijn agenda genoteerd dat week 16/17 daarvoor de grootste kans biedt. We zullen het zien. Gewoon hieronder.

 
Oké, het was bijna Pasen, maar het verbaasde me hoe L. zo enorm gefascineerd was door een háás. Hij bleef maar kijken. Zelf zie ik die beesten zo goed als altijd als ik vogel, dus weinig kans op Mars-Gremmen-opwinding.





Gelukkig was hij ook onder de indruk van de schoonheid van deze kleine plevier. Die achter ons neerstreek toen we bij de vogelkijkwand stonden.






“Wat is dat voor een vogeltje?” 

Zit L. nu sneller dan ik leuke doortrekvogeltjes te ontdekken? Hij wijst me zomaar een paapje aan! Had ik gelijk al één van mijn wensvogeltjes in de zak! Wat was die ander ook alweer?





O ja, een tapuit! Die ontdekte ik nog geen vijf minuten later gelukkig zelf.

We wandelden in een rustig tempo door. Wat verderop zag ik Arnhemse vogelgraaf R., waarneming.nl-admin R. en een mij onbekende vogelaar staan. Nog voordat ik kon vragen of er iets bijzonders te zien was, klonk er een ratelend geluid uit het riet. Snor! Een in onze contreien zeldzaam rietvogeltje. Dat zich zelden of nooit laat zien. In dit geval: nooit. Wel heel leuk om te horen.





R2 wees ons nog even een zeldzame IJslandse grutto en zeven bosruiters aan. Die laatste had ik wat eerder zien landen. Maar gemakzuchtig tot tureluurs gebombardeerd. Ook meldde hij dat hij geappt was dat er vanuit de Pley een zeearend onze richting uit zou komen...







Nog geen tien minuten later vlogen alle watervogels in paniek de lucht in. En had ik in drie dagen tijd mijn tweede zeearend recht boven m’n hoofd hangen. Had ik al eens gemeld dat ik heel veel vogelaarsgeluk heb...?





Ik had L. een zekere gele kwikstaart beloofd. Maar het duurde tot het eind van onze wandeling voordat de vogel zich daadwerkelijk liet zien. Dat deed hij dan ook wel op indrukwekkende wijze. Vlak voor onze neus, prachtig in de zon.





Het leuke aan beginnende vogelaars — L. heeft door mijn schuld een verrekijker aangeschaft, dus hij is een beginnende vogelaar, of hij het nou wil of niet — is dat ze nog stomverbaasd kunnen zijn over de lengte van een gruttosnavel.





Letterlijk voor de deur van L. kregen we nog een paar prachtige puttertjes in beeld. En hoorden we — lees: ik — een groenling zingen. Voor de aardigheid had ik van het begin af aan bijgehouden hoeveel verschillende vogels we hadden waargenomen. Vijfentwintig, schatte L.’s levenspartner W.
L. moest haar overtuigen dat ik haar niet voor de gek hield toen ik vertelde dat we er drieënzestig hadden geteld tijdens onze wandeling van een uurtje of drie.

Stomverbaasd dat er zúlke mooie vogeltjes vrij in Nederland vliegen — nadat L. een googlefoto van een putter aan W. had laten zien — liepen we nog even de voordeur uit om te kijken of ze er nog zaten. Ik hoorde gelijk al dat ze weg waren. Maar ook bij W. was nu het eerste zaadje van de vogelkoorts geplant...

Na weer eens de uitvreter te hebben uitgehangen door met L. en W. mee te lunchen (nou ja, mocht ook wel in ruil voor die zeearend) dook ik weer terug het Waterrijk in. Ik besloot de rest van de dag gewoon door te gaan met vogelsoorten tellen. Nieuwsgierig tot welke totaalscore ik zou komen.





We hadden hem eerder al gehoord. Maar nu kon ik van grote afstand ook een bewijsplaatje van de blauwborst schieten. (Dit moet maar de nieuwe wensvogel voor L. worden. Gaat-ie vogelen nóg leuker vinden.)





Beeldschoon toch, zo’n mannetje wintertaling in de zon?





De door een zwarte kraai opgejaagde bruine kiekendief, die ik gezien meende te hebben, bleek een buizerd te zijn. Met de razendsnel overvliegende slechtvalk had ik het wel bij het juiste eind.






Aan de overkant in Waterrijk-West zag ik behalve een tureluur en wat kleine plevieren, ook twee lepelaars. Als lepelaarblogger moet ik die natuurlijk steeds weer vogelgraferen.








Op mijn min of meer vaste terugreisroute sla ik het door mij gevolgde blauwe-reigernest natuurlijk niet over. De vorige keren was er helemaal niks te zien. En nu stonden er zomaar twee bijkans vliegvlugge kuikens op het nest! Heel leuk. Maar ook jammer dat ik ze niet in een jonger stadium heb kunnen zien.





Bij de buren torenvalk werd er nog steeds gebroed. Op eieren of op jongen...?





Kijk, dat tikt weer lekker aan op de scorelijst, zo’n steenuiltje.





Ik had de slechtvalk voor vandaag al binnen. Maar een tweede exemplaar is altijd welkom. De Waalbrug wordt sowieso standaard door mij met de verrekijker afgetuurd.





Bingo! 

(De dode slechtvalk hangt er verderop ook nog steeds te bungelen.)




Door naar huis of nog even omrijden naar de Lentse waard voor wat meeuwen en kans op een huiszwaluw? Dat laatste natuurlijk. Slechts een vijftal kleine mantelmeeuwen liet zich zien. En naar de huiszwaluw kon ik fluiten.





Wel kon ik een bewijsplaatje van een baltsende 2019-grasmus schieten. De derde van die dag.

Nu toch echt naar huis. Moe! Bij Station Nijmegen pik ik nog een baltsende zwarte roodstaart mee. En in de schemering krijg ik nog een roodborst en een winterkoning cadeau. De hele dag geen pimpelmees gezien! Toch nog even m’n huis voorbij fietsen in de hoop op een nog wakker bosvogeltje?





“Ik heb nog nooit een uil gezien!”, kraait een meisje naast mij. Aan de andere kant staat een ouder echtpaar met grote glimlach op het gezicht. Op straat stopt een vrouw met fietsen. “Zit er een uil?!” 
Ja, dat krijg je als je langs een drukke bosweg met een verrekijker naar een boom staat te turen. Terwijl er van drie kanten luid gepiep klinkt. Net iets eerder had ik één bosuil al de plek zien verlaten. Nu zagen we in silhouet een ander jong uiltje onhandig balanceren op een dunne tak. Af en toe flapperend met zijn vleugels. 




Wat een geweldige laatste waarneming van de dag! En wat een enorme geluksvogel ben ik toch. En wat heerlijk dat de lente voorlopig gewoon nog even doorgaat. Razend benieuwd wat er nog allemaal voor me in het vogelverschiet ligt!




Vergeet ik nog bijna m'n totaalscore van die dag. Zesenzeventig vogels. Ik tel dan wel twee exoten mee. (Fazant, nijlgans.) En ik trek een misgedetermineerde geelpootmeeuw af. (Ik weet ook niet hoe ik dit anders moet formuleren, viespeuk.) Ter vergelijking; op de fiets-Big-Day vorig jaar kwamen we zonder exoten op een totaal van drieënnegentig vogels uit. 

Voor de komende tijd is al mijn hoop gevestigd op een rode, of nog beter, zwarte wouw. Die laatste heb ik nog steeds niet gezien.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten