zondag 21 april 2019

Vogelen met striptekenaars

"Het komt dus regelmatig voor dat ik mensen beledig, zonder het zelf in de gaten te hebben - boomklever!" R. en R. schieten in de lach. “Het lijkt wel of je Gilles de la Tourette hebt!” Nou ja, die boomklever begon precies aan het eind van mijn zin te zingen. En beide striptekencollega’s wilden met mij vogelen op de Duivelsberg. Dus ik moest wel even snel doorgeven welke vogel er aan het zingen was.
Ik had ze al gewaarschuwd dat vogelaars midden in een gesprek over de terminale toestand van tante Bep, spontaan kunnen gaan roepen dat ze een baltsende zwarte roodstaart op het dak horen. Dat valt niet meer te verhelpen. Beide partijen zullen daarmee moeten leren leven.

Nog stukken jonger dan ik en toch hadden de heren er na drie schamele uurtjes al genoeg van. Dus toen ging ik maar alleen verder naar de Millingerwaard. Waar ik direct al werd welkom geheten door mijn eerste 2019-gekraagde-roodstaart.







Op de weg erheen was ik nog gestopt voor twee fladderende koninginnenpages. Die pardoes op twee meter afstand van het fietspad in een boom neerstreken. Om elkaar vervolgens hartstochtelijk te beminnen. Wat een enorm geluk om dat te mogen aanschouwen, zul je denken. Maar ik had het een jaar eerder ook al eens gezien. Dus voor mij was het al een beetje gewoontjes.





Terug naar de Millingerwaard. Steek ik de dam over? Sla ik gelijk rechtsaf de bushbush in? Of wandel ik langs de Kaliwaal richting de plasjes waar wel eens wat steltlopers zouden kunnen zitten? Ik kies voor het laatste en nog geen vijf minuten later zie ik aan de overkant van het water een wel heel erg grote buizerd mijn kant op komen vliegen...






Met wel heel lange en brede vleugels. En een heel grote snavel. En een klein wigvormig staartje.





Ik mag altijd graag een beetje overdrijven. Maar deze foto is het bewijs dat de zeearend letterlijk op een vijftiental meter afstand récht over me heen vloog. Tegen R. en R., met wie ik in het bos alleen maar 387 zwartkoppen had gezien — nou vooruit, en een eekhoorn — had ik gezegd dat ik enorm ontevreden was over die score. En dat ik in deze voorjaarstrektijd minstens één bijzondere vogel wilde zien. Hier had ik ‘m zomaar op spectaculaire wijze bij de kladden.





Qua steltlopers was er niet zo heel veel te beleven. Eén groenpootruiter en een drietal kleine plevieren.





Verder richting vogelkijkhut. Maar daar liep net een groepje jongelui met gitaren naar binnen. Dan maar het linkerpad in slaan. Wéér precies de juiste keuze. Vlak voor mijn neus landde een wel heel donkere witte kwikstaart. Die kon zo weer verdwenen zijn. Wat ik dan doe is m’n camera zo snel mogelijk aanzetten en meteen al inzoomende beginnen te filmen. Dan heb ik in ieder geval altijd een bewijsscreenshot, mocht hij wegvliegen voordat ik voldoende ingezoomd ben voor een foto.




Een uitstekende ‘truc’. Wat je ziet zijn screenshots. De hier zeldzame rouwkwikstaart vloog ver weg de plas over, nog voordat ik op vogelgraferen kon overschakelen.





Ik was ‘s ochtends met de collega's op pad gegaan en het was inmiddels al half vijf. Het Abraham-lijf begon aardig tekenen van vermoeidheid te vertonen. Maar ja, ik had zóveel geluk dat ik besloot om het gebied nog verder in te trekken. Ik wilde het geluk tot de laatste druppel uitmelken. Toen ik kort daarna een opvallend stoere merel zag, verbaasde het me dus eigenlijk niet dat hij bij nadere inspectie een witte bef bleek te hebben. En ik mijn derde zeldzame vogel van die dag te pakken had.





Twéé zekere beflijsters zaten er. Er fladderde nog meer beflijsterachtig spul rond, maar die kreeg ik niet met zekerheid in beeld.





Na ter plekke nog een tijd rondgehangen te hebben in de hoop op een betere foto — ijdele hoop; beflijsters zijn zo schuw als de pest — besloot ik dan toch maar eens m’n fiets  te gaan opzoeken. 

Zelfs aan mijn weerzinwekkende hoeveelheid vogelaarsgeluk kwam een eind. De blauwe kiekendief die ik tijdens het openen van mijn fietsslot in een flits voorbij zag vliegen, en waarvan ik eerst nog dacht dat het een meeuw was, bleek een ordinaire buizerd te zijn. Een wel heel vernuekeratieve buizerd! Zelfs de waarneming.nl-admin toonde begrip voor mijn vergissing.

21:45 was ik thuis. Het eerste wat ik deed was R. en R. per mail vals inwrijven dat ze maar een klein uurtje hadden hoeven doorvogelen om een zeearend over zich heen te hebben kunnen zien vliegen. De andere zeldzame vogels heb ik niet genoemd. Die maken geen indruk bij niet-vogelaars. Bovendien zijn beflijsters altijd slachtoffer van dubbelzinnige grappen. Dat wilde ik ze niet nog eens aandoen.

Ik vergat nog wat gewonere soorten te noemen.





Zoals dit witgatje. Bij dezelfde plas hoorde ik een groenpootruiter. Maar de vogel was in geen velden of wegen te bekennen. Iets later hoorde ik hem nog een keer. Door de voordracht van een zanglijster heen. Beide op precies hetzelfde geluidsvolume. Toen viel het kwartje. Ik verwijderde de roepende-groenpootruitermelding van waarneming.nl en verving hem door de zanglijster. De zingende schavuit had de roep van een groenpootruiter in zijn repertoire opgenomen! Voor de liefhebbers hier te beluisteren.





Zo’n mooie voorbijvliegende ooievaar kun je niet ongevogelgrafeerd laten.





En van mijn eerste 2019-gehakkelde aurelia schoot ik ook een plaatje. Ik kwam die dag trouwens zeker vijf keer een koninginnepage tegen. En m’n eerste oranjetipjes. Die laatste zijn zo adhd dat ik ze niet of nauwelijks op de foto weet te krijgen.




In het vorige blog liet ik nog weten dat gaaien zo lastig te vogelgraferen zijn. En dan krijg je ze vervolgens natuurlijk achter elkaar mooi voor de lens.




De 2019-boompieper hebben we nu ook officieel binnengehaald. Ik moet bekennen dat ik er gemakzuchtig een onzekere graspieper van had gemaakt. Op de een of andere manier verwachtte ik geen boompieper in de Millingerwaard.

Dit wordt een echt Vogelen met collega’s-blog. Morgen ga ik met collega L. op pad in Waterrijk-Oost. Eindelijk die huiszwaluw eens ‘binnen tikken’. En misschien wel m’n eerste 2019-tapuit of paapje. Het meest hoop ik op een roepende roerdomp. Vorig jaar had ik in mijn agenda genoteerd dat week 16/17 daarvoor de grootste kans biedt. We zullen het zien. Gewoon hieronder.

 
Oké, het was bijna Pasen, maar het verbaasde me hoe L. zo enorm gefascineerd was door een háás. Hij bleef maar kijken. Zelf zie ik die beesten zo goed als altijd als ik vogel, dus weinig kans op Mars-Gremmen-opwinding.





Gelukkig was hij ook onder de indruk van de schoonheid van deze kleine plevier. Die achter ons neerstreek toen we bij de vogelkijkwand stonden.






“Wat is dat voor een vogeltje?” 

Zit L. nu sneller dan ik leuke doortrekvogeltjes te ontdekken? Hij wijst me zomaar een paapje aan! Had ik gelijk al één van mijn wensvogeltjes in de zak! Wat was die ander ook alweer?





O ja, een tapuit! Die ontdekte ik nog geen vijf minuten later gelukkig zelf.

We wandelden in een rustig tempo door. Wat verderop zag ik Arnhemse vogelgraaf R., waarneming.nl-admin R. en een mij onbekende vogelaar staan. Nog voordat ik kon vragen of er iets bijzonders te zien was, klonk er een ratelend geluid uit het riet. Snor! Een in onze contreien zeldzaam rietvogeltje. Dat zich zelden of nooit laat zien. In dit geval: nooit. Wel heel leuk om te horen.





R2 wees ons nog even een zeldzame IJslandse grutto en zeven bosruiters aan. Die laatste had ik wat eerder zien landen. Maar gemakzuchtig tot tureluurs gebombardeerd. Ook meldde hij dat hij geappt was dat er vanuit de Pley een zeearend onze richting uit zou komen...







Nog geen tien minuten later vlogen alle watervogels in paniek de lucht in. En had ik in drie dagen tijd mijn tweede zeearend recht boven m’n hoofd hangen. Had ik al eens gemeld dat ik heel veel vogelaarsgeluk heb...?





Ik had L. een zekere gele kwikstaart beloofd. Maar het duurde tot het eind van onze wandeling voordat de vogel zich daadwerkelijk liet zien. Dat deed hij dan ook wel op indrukwekkende wijze. Vlak voor onze neus, prachtig in de zon.





Het leuke aan beginnende vogelaars — L. heeft door mijn schuld een verrekijker aangeschaft, dus hij is een beginnende vogelaar, of hij het nou wil of niet — is dat ze nog stomverbaasd kunnen zijn over de lengte van een gruttosnavel.





Letterlijk voor de deur van L. kregen we nog een paar prachtige puttertjes in beeld. En hoorden we — lees: ik — een groenling zingen. Voor de aardigheid had ik van het begin af aan bijgehouden hoeveel verschillende vogels we hadden waargenomen. Vijfentwintig, schatte L.’s levenspartner W.
L. moest haar overtuigen dat ik haar niet voor de gek hield toen ik vertelde dat we er drieënzestig hadden geteld tijdens onze wandeling van een uurtje of drie.

Stomverbaasd dat er zúlke mooie vogeltjes vrij in Nederland vliegen — nadat L. een googlefoto van een putter aan W. had laten zien — liepen we nog even de voordeur uit om te kijken of ze er nog zaten. Ik hoorde gelijk al dat ze weg waren. Maar ook bij W. was nu het eerste zaadje van de vogelkoorts geplant...

Na weer eens de uitvreter te hebben uitgehangen door met L. en W. mee te lunchen (nou ja, mocht ook wel in ruil voor die zeearend) dook ik weer terug het Waterrijk in. Ik besloot de rest van de dag gewoon door te gaan met vogelsoorten tellen. Nieuwsgierig tot welke totaalscore ik zou komen.





We hadden hem eerder al gehoord. Maar nu kon ik van grote afstand ook een bewijsplaatje van de blauwborst schieten. (Dit moet maar de nieuwe wensvogel voor L. worden. Gaat-ie vogelen nóg leuker vinden.)





Beeldschoon toch, zo’n mannetje wintertaling in de zon?





De door een zwarte kraai opgejaagde bruine kiekendief, die ik gezien meende te hebben, bleek een buizerd te zijn. Met de razendsnel overvliegende slechtvalk had ik het wel bij het juiste eind.






Aan de overkant in Waterrijk-West zag ik behalve een tureluur en wat kleine plevieren, ook twee lepelaars. Als lepelaarblogger moet ik die natuurlijk steeds weer vogelgraferen.








Op mijn min of meer vaste terugreisroute sla ik het door mij gevolgde blauwe-reigernest natuurlijk niet over. De vorige keren was er helemaal niks te zien. En nu stonden er zomaar twee bijkans vliegvlugge kuikens op het nest! Heel leuk. Maar ook jammer dat ik ze niet in een jonger stadium heb kunnen zien.





Bij de buren torenvalk werd er nog steeds gebroed. Op eieren of op jongen...?





Kijk, dat tikt weer lekker aan op de scorelijst, zo’n steenuiltje.





Ik had de slechtvalk voor vandaag al binnen. Maar een tweede exemplaar is altijd welkom. De Waalbrug wordt sowieso standaard door mij met de verrekijker afgetuurd.





Bingo! 

(De dode slechtvalk hangt er verderop ook nog steeds te bungelen.)




Door naar huis of nog even omrijden naar de Lentse waard voor wat meeuwen en kans op een huiszwaluw? Dat laatste natuurlijk. Slechts een vijftal kleine mantelmeeuwen liet zich zien. En naar de huiszwaluw kon ik fluiten.





Wel kon ik een bewijsplaatje van een baltsende 2019-grasmus schieten. De derde van die dag.

Nu toch echt naar huis. Moe! Bij Station Nijmegen pik ik nog een baltsende zwarte roodstaart mee. En in de schemering krijg ik nog een roodborst en een winterkoning cadeau. De hele dag geen pimpelmees gezien! Toch nog even m’n huis voorbij fietsen in de hoop op een nog wakker bosvogeltje?





“Ik heb nog nooit een uil gezien!”, kraait een meisje naast mij. Aan de andere kant staat een ouder echtpaar met grote glimlach op het gezicht. Op straat stopt een vrouw met fietsen. “Zit er een uil?!” 
Ja, dat krijg je als je langs een drukke bosweg met een verrekijker naar een boom staat te turen. Terwijl er van drie kanten luid gepiep klinkt. Net iets eerder had ik één bosuil al de plek zien verlaten. Nu zagen we in silhouet een ander jong uiltje onhandig balanceren op een dunne tak. Af en toe flapperend met zijn vleugels. 




Wat een geweldige laatste waarneming van de dag! En wat een enorme geluksvogel ben ik toch. En wat heerlijk dat de lente voorlopig gewoon nog even doorgaat. Razend benieuwd wat er nog allemaal voor me in het vogelverschiet ligt!




Vergeet ik nog bijna m'n totaalscore van die dag. Zesenzeventig vogels. Ik tel dan wel twee exoten mee. (Fazant, nijlgans.) En ik trek een misgedetermineerde geelpootmeeuw af. (Ik weet ook niet hoe ik dit anders moet formuleren, viespeuk.) Ter vergelijking; op de fiets-Big-Day vorig jaar kwamen we zonder exoten op een totaal van drieënnegentig vogels uit. 

Voor de komende tijd is al mijn hoop gevestigd op een rode, of nog beter, zwarte wouw. Die laatste heb ik nog steeds niet gezien.

maandag 15 april 2019

Rotgans


Ein-de-lijk! Hoe vaak ik die vogel al niet gedipt heb! Maar de melding van vandaag was veelbelovend. Twintig minuutjes fietsen en grote kans dat de tweeduizend kolganzen, waarmee hij zich steeds omringde, Nederland inmiddels verlaten hadden. 

Een groepje van zo’n zeventien achtergebleven kolganzen en twaalf brandganzen. Daar zat de rotgans tussen. Op te grote afstand voor een echt goede foto. Maar de vogel is hier bijzonder genoeg om er toch een paar plaatjes van te schieten. Eerst vanaf de dijkkant.







En wat later ook vanaf de andere kant van de plas. Een kleine gans, zoals in vergelijking met de andere vogels is te zien, met een bescheiden snavel. Makkelijk te missen tussen de kolganzen. Leuk extraatje: m’n eerste 2019-boerenzwaluw (we spreken 26 maart) kwam kwetterend overgevlogen. Om zich daarna helaas niet meer te laten zien.

Hoe staat het eigenlijk met mijn VWG-Nijmegen-levenslijst met befietsbare vogels? Tweehonderddrieëndertig vogelsoorten. Exoten (fazant, nijlgans) en ontsnapte vogels niet meegeteld. Een met twee andere vogelaars gedeelde zevenendertigste plek. Ik ben niet ontevreden! Maar het begint nu echt schrapen te worden. De tijden van één lifer per week zijn definitief voorbij.








Hoe vaak ik deze boomhut al gezien heb zonder hem te zien, dat wil je niet weten. Deze keer zag ik hem voor het eerst écht en bedacht ik hoezeer hij me aan de boomhut van mijn oude, onsympathieke stripfiguur Trix deed denken. Af en toe mis ik Trix nog wel eens. Ik krabbel haar en haar masochistische vriendje Valentijn dan op papier om te kijken hoe het met ze gaat. 





En kijk, ze laat tegenwoordig haar haar los hangen. En Valentijn blijkt zich ontpopt te hebben tot een fanatiek vogelaartje! Het zal ook eens niet. Benieuwd of Ma Valentijn nog aan de drank is.




Ja, dus. Het arme mens!

Snel terug naar de vogels. (Wat een ellende, die strip.)




Wandelen met tante P. Want die had ik al lang niet meer gezien. Wel stiekem naar vogels kijken natuurlijk. En P. de 'magie' van een verrekijker laten ontdekken. De eerste 2019-zwartkop, waar ik op hoopte, hebben we niet gezien. Wel andere leuke vogeltjes: vuurgoudhaan, buizerd, sperwer, heggenmus, groenlingbergeend en een regelmatig lachende groene specht. Mooie score! Op de foto’s een Beuningens mannetje roodborsttapuit.




En een tjiftjaf.

Even een waarschuwing. Er komt weer een hele rits foto's van vogels die ik al heel vaak gevogelgrafeerd heb. Maar die zó mooi poseerden dat mijn camera ze niet kon negeren. 




"Had je het boertje gezien?" Ik had 'm gemist. Maar de boerenzwaluw kwam al snel weer overvliegen. Ik reageerde enthousiast op de verrekijkerman met de baard en bedankte hem voor de tip. Hem vertellen dat dit al m'n vierde boertje deze week was kon ik niet over mijn hart verkrijgen.




Even later ging hij ook nog mooi in een boompje zitten. En liet hij speciaal voor mij een poepje.

Wat een geweldige staart hebben die boerenzwaluwen toch!




Als Beleef-de-lente-lepelaarblogger houd ik de lepelaars in mijn eigen omgeving ook scherp in de gaten. Ze broeden hier echter niet of nauwelijks. Zou daar met dit Gendtse tweetal verandering in komen? Ik heb goede hoop! Net als de BDL-lepelaars bevonden ze zich in een kolonie van de blauwe reiger. Maar ik ga er als de lente ontploft en alles frisgroen wordt waarschijnlijk weinig van kunnen zien. Er staan twee vogels op de foto die ik over een grote, dure tuin schoot.




Heel gewoon eendje, de krakeend. Geen reden om ze niet eens goed te bekijken en bewonderen.




Mannetje.




Vrouwtje.







Met vlak naast hem een kop- en veerschuddende grutto.




Die ook nog eens een trucje met zijn vleugel kon.




Naast hem stond een exemplaar zonder rode ring.




Tureluurtje.




En dan die torenvalk weer. Die blijft maar wonderschoon zitten te zijn. Niét te negeren voor een vogelgraaf.




Zo liep ik altijd met mijn tekenmap onder mijn arm naar school. Voordat ik hem voor een plastic map met handvat verving. De valk doet het met zijn staart. Zonder opgeplakte foto's van Prince.




Vaak wordt de kop van een mannetje rietgors één donkere, zwarte vlek op de foto. Nu stond de zon precies goed afgesteld.




De grutto en scholekster kijken naar de kleine plevier alsof het een lekker hapje is. Dat zal het ongetwijfeld ook zijn. Maar niet voor deze jongens.



Je staat een zwarte kraai in mooi licht te vogelgraferen. Je hoort achter je een auto komen aanrijden. Je bereidt je voor op een tokkiechauffeur met grotbewoner-gevoel-voor-humor. Je schrikt je toch weer een ongeluk als-ie claxonneert. En je hoopt dat-ie honderd meter verderop met een klapband over de kop slaat. En zijn afgerukte hoofd in het nabijgelegen nest van een hongerige ekster belandt. Maar dát gebeurt dan weer nooit. (Oké, dit is wat grof. Maak van dat afgerukte hoofd maar een afgerukte linkerarm.)




Eerste 2019-lente-waarnemingen van deze Waterrijk-Oost-dag: vijf oeverzwaluwen en dit vrouwtje bruine kiekendief.




Op mijn vaste terugreisroute was het nest van de blauwe reigers, dat ik al een tijdje in de gaten houd, nog steeds onbemand. Ook de een week eerder nog vurig parende torenvalken lieten zich niet zien. Wel kwam ik dit steenuiltje tegen. Bijkans onzichtbaar tegen het knotwilgdecor.

Voor de komende zondag staat er een zwartkop op het kijkmenu.




En die liet zich in de Ooijpolder zien en vooral horen. Een mannetje. Maar hij wilde niet op de foto. Wel een ander vogeltje met een flubbertjeloos, zwart alpinopetje. De matkop. Jammer van dat lelijke horizontale takje. En hij had zich wel eens mogen scheren.




En wéér een bruine kiekendief. Ook in de Ooijpolder. Daar zie ik hem maar zelden. Dus het was een fijne één-na-laatste-vogel, die zondag. De laatste was een zingende blauwborst. Een heel prettig schemervogeltje om het vogelweekend mee af te sluiten. 




De fitis was mijn doel voor de dinsdagavond. Maar ik kon maar niet vertrekken bij de rietvogeltjes. Al zat er ook één fitis/tjiftjaf-achtig vogeltje tussen. Dat helaas zijn snaveltje hield. De blauwborst is een van de fotogeniekste vogeltjes hier in Nederland. Maar dan moeten ze wel meewerken. Dus niet onderin het riet gaan zitten.




Of veel te ver weg in het gouden avondlicht. Nou ja, sfeervol is het wel.




Waar zitten we inmiddels qua tijd? O ja, acht april. Niet kunnen vogelen in het weekend. Dan maar de maandagmiddag daarop richting Heumensoord fietsen. Een eerste gekraagde roodstaart was nog teveel gevraagd. De boompieper hoorde ik wel maar kreeg ik niet in beeld. Als straf voor deze onkunde heb ik hem niet geteld. En eindelijk kreeg ik mijn eerste 2019-fitis te zien. En te horen met zijn droeve lied.

Voor het eerst schoot ik een foto van de voorheen Vlaamse gaai. Tegenwoordig gewoon gaai. De vogel is opvallend schuw en laat zich moeilijk goed vogelgraferen. Dit plaatje komt in de buurt van een aardige foto van een doodgewone vogel. Maar het moet beter!




Over doodgewoon gesproken. 
Wel leuk hoe de koolmees op de grond een snavel vol nestmateriaal verzamelde.




Van mijn eerste foto van een zanglijster mag je eigenlijk meer verwachten. Ik plaats hem toch. Want hij is lastiger te schieten dan je misschien zou denken.




Deze buizerdfoto plaats ik alleen maar om te laten zien waarom een paartje raaf zo tekeer ging.






Ze vliegen dan in de rondte, luid roepend, zij aan zij. Prachtig om te zien! (Misschien wilden ze ook wel dat de vogelgraaf in het bos opsodemieterde...)





In een bos is het lastig foto's schieten. Maar één raaf kreeg ik toch nog heel even aardig in beeld. In een open gedeelte van het bosplafond.

Half april: de avonden worden weer langer! Kunnen we er 's avonds lekker op uit. In plaats van 'Dit is M' te kijken of uit de neus te peuteren.




Tientallen meeuwen op grote afstand boven het Weurtse grindgat. Het 's ochtends aangetroffen dwergmeeuwtje wist ik niet tussen de kokmeeuwen uit te vissen. Wel m'n eerste 2019-visdief.




En wat verderop m'n eerste twee 2019-gele-kwikstaarten.
Niet mijn beste gk-foto die dag. Maar wel leuk om zijn onderkant eens te laten zien.




Even hoopte ik nog dat de dwergmeeuw naast dit witgatje zou zitten. Het was echter weer een kokmeeuw.


Het werd nóg een keer het Weurtse grindgat. De dwergmeeuw zat er nog steeds. Maar ik wist hem telescooploos als ik ben weer niet te ontdekken. 



Toch had ik een goede keuze gemaakt. Niet alleen zag ik mijn eerste 2019-oeverlopertje, ook deze jongen kwam overgevlogen. In eerste instantie ontdekte ik geen 'vingers' aan zijn vleugels en twijfelde ik nog even. Maar toen hij met zijn opvallend lange vleugels boven de Waal begon te bidden was er geen twijfel meer mogelijk. Visarend!

Een collegavogelaar reageerde ontroerd toen een hond in volle vaart op me af kwam rennen en tegen me aan sprong. Zelf had ik hem het liefst ter plekke in de Waal geschopt. De hond, niet de vogelaar. Of de eigenaren dan, die het blijkbaar niet nodig vonden om hun dier te corrigeren. Als je honden, zoals ik, goed en wel vindt, maar het je bezwaart als ze hun nagels in je bovenbenen zetten, je hand belikken met hun slijmerige tong of hun neus in je kruis duwen, dan is het grindgat niet zo'n goede plek om te vogelen. 






Maar dan kun je zomaar elf boerenzwaluwen in een boompje missen.



Jammer van het slechte licht. Anders was dit een heel aardig plaatje geweest.



Een witte en een gele kwikstaart naast elkaar. Ondanks de grote afstand toch leuk om een foto van te schieten.




Door zijn grootte meende ik een juveniele grote mantelmeeuw van deze jongen te mogen maken.

Grappig, térwijl ik aan dit blog aan het schrijven ben krijg ik een mailtje binnen van waarneming.nl. Pontische meeuw! Had ik er toch een vraagteken bij moeten zetten. Kijklui sukkeltje dat ik ben!



De dwergmeeuw kon ik dus niet ontdekken tussen de tientallen kokmeeuwen. Een kokmeeuw met één pootje ertussenuit vissen vormde echter geen probleem. Blijkbaar weet hij met deze handicap gewoon te overleven. Het ziet er mijns inziens niet uit alsof hij z'n linkerpoot kort geleden is verloren.



O ja, voordat ik bij het grindgat arriveerde kwam ik nog dit zingende mannetje zwartkop tegen. (Ik ben altijd een beetje bang dat een donker persoon mij aanspreekt om te vragen waar ik naar zit te kijken. Precies op het moment dat ik een zwartkop in beeld heb. Ik denk dat ik hem op zo'n moment maar het alpinopetvogeltje ga noemen.)



Vlák bij huis: twee kleine mantelmeeuwen. Best bijzonder dat ze daar zaten. Op waarneming.nl worden ze niet of nauwelijks op deze plek gemeld.




Ik vermoed dat het een paartje is. En dan gok ik dat dit de man is.



En dit de vrouw. Nu komt het regelmatig voor dat juist vrouwtjesvogels groter zijn dan het mannetje. Dus ik kan er vierkant naast zitten.



Nóg leuker, en bij mijn weten maar één keer eerder op die plek gemeld, twee grote gele kwikstaarten. Waarvan er maar eentje op de foto wilde.

Het is zondag! Op het moment van schrijven. Reuze benieuwd wat ik hieronder allemaal ga zien. En waar ik nu weer naartoe moet fietsen. Een tapuit als ik richting Waterrijk-Oost rijd. Dat lijkt mij wel wat. Bos- en heidevogeltjes gekraagde roodstaart en boompieper bewaar ik wel voor een andere keer.



Geen tapuit, wel twee mooi poserende kauwtjes. Het is me al eerder opgevallen dat deze slimme vogels graag buiten de wind in het zonnetje gaan zitten. (Het zijn net mensen.) Ze zullen ook wel wat riet voor hun nest geplunderd hebben. Net als wat familieleden eerder deden met de vacht van een toegeeflijk hert en schaap. In het nabij gelegen hertenparkje.



Het blauwe-reigernest dat ik deze lente in de gaten houd was weer bemand. Pa of ma Reiger met een takje in zijn snavel. Eieren of kuikens heb ik vooralsnog niet kunnen ontdekken.



Bij de torenvalken — vorige keer nog wellustig parend — lijkt er al gebroed te worden.


Prachtige vogel, die kluut. Maar op de een of andere manier boeit-ie me niet enorm.



Hetzelfde geldt stiekem een beetje voor 'mijn' lepelaars. Prachtige beesten. Maar je mist een beetje vrolijk, kauw-achtig gedrag. Iets meer hersens. Hier vlogen er drie langs me heen en moest ik op de fiets bijkans mijn rug uit de kom draaien om dit beroerde plaatje te kunnen schieten.




Het was eigenlijk maar een matige vogelzondag. Ik had continu het idee dat ik de verkeerde route-keuzes maakte. Gelukkig kwam ik nog een eerder gemelde Waterrijk-Oost-beflijster tegen. Toch nog iets bijzonders om dit blog mee te beëindigen.