maandag 5 november 2018

Keep-invasie, zeearend en bruine boszanger




“Meneer, u heeft mij toch niet gefotografeerd, hè?”
Geen haar op mijn hoofd die er ook maar aan dácht om die langsfietsende mevrouw, met zeurderige stem, te fotograferen. Een dag eerder had een collegavogelaar naar schatting tweehonderd (!) kepen gezien in de straat waar ik vogeltjes aan het schieten was. 





Een straat barstensvol beukennootjes. Nu zat er een groep van zo’n vijftig vinken. Waarvan ongeveer één derde uit kepen bestond. 







De groep van een dag eerder was vermoedelijk grotendeels weer verder getrokken. De vogels vlogen continu op door het drukke verkeer. Een sperwer had blijkbaar ook op waarneming.nl gekeken en deed een vruchteloze poging keep op het menu te zetten. Preciés op het moment van de aanval trok mijn lens zich terug omdat de camera-accu leeg was. Nou ja, door zijn snelheid, het tegenlicht en takken in de weg had ik hem toch nooit op de foto gekregen.




Weer zo'n gewone vogel die ik nog nooit gefotografeerd bleek te hebben. Nu zou ik van zo'n gewoon geval ook een veel beter plaatje hebben moeten tonen. Maar vooralsnog doe ik het maar even met deze roodborstfoto.




Wonderlijk. Precies een jaar geleden had ik ze nog uitgebreid staan bekijken. En toch keek ik er weer van op hoe klein ransuilen zijn. Ongeveer de helft van de grootte die je je voorstelt als je ze nog nooit in het echt gezien hebt. 






Toevallig arriveerde medevogelaar J. precies op hetzelfde moment als ik. En samen konden we maar liefst negen exemplaren tellen. Verspreid over een vijftal bomen. Misschien hebben we er nog wel een of twee gemist. De bomen zaten nog goed in het herfstblad.




Terwijl ik tijdens mijn tweede steppevorkstaartplevierbezoek de vogel vooral als bruin-wit vlekje in de erg verte zag fladderen, werd ik even afgeleid door dichterbij komende, rennende voetstappen. Ik keek opzij en zag een jogger aan komen rennen. Ik draaide me weer om en werd op mijn schouders getikt. Bleek het mijn eigen broer te zijn! Onherkenbaar in sportkledij, met kletsnat zweethoofd en verwilderde haardos. Hij woont in de buurt. Een dorpje verderop. Maar toch wel behoorlijk toevallig dat we elkaar daar troffen. 





Wat later steekt de plevier al foeragerend de straat over en kan ik hem héél even wat beter waarnemen. 





De goffertnatuurtuin is een piepklein natuurparadijsje. Voor elke soort vogel is er wel wat te vinden. Dus toen er een zwartwitte vogelmoordenaar met lange staart binnen kwam lopen, keek ik hem recht in zijn ogen en ontblootte ik mijn tanden. En verdraaid als het niet waar is. Hij maakte als de wiederweerga rechtsomkeer! Vaker proberen!

Ook in de natuurtuin een groot groepje kepen. Zeker zo’n tien stuks. Een heuse keepinvasie! Door hun sublieme herfstschutkleuren zijn ze helaas heel lastig scherp te krijgen. En zo'n invallende schemering helpt ook niet bepaald.






Eerder kreeg ik er in de Biesbosch twee, als fladderende zwarte stipjes, aangewezen door powervogelaar P. 
En de opvallend grote roofvogel in de Millingerwaard, die vér weg in een boom zat waar hij al eerder waargenomen was, zou er mogelijk ook een geweest kunnen zijn. Toch bleef ik de zeearend als ‘schaamsoort’ beschouwen. Dus toen er al een paar dagen achter elkaar een in de Gendtse waard werd gemeld, besloot ik maar weer eens een waarneempoging te wagen.

Terwijl R. druk in gesprek was met een plaatselijke fotograaf over fotocameramerken, de nieuwste telelenzen en wat dat allemaal wel niet kost, vloog een groep ganzen paniekerig de lucht in. Laag boven de grond zag ik een grote, logge vogel achter wat struikgewas verdwijnen. Gevolgd door een buizerdkreet. En de buizerd zelf. Had ik het dan toch niet goed gezien? “De ganzen kunnen ook door wandelaars zijn opgeschrikt” merkte R. op. Even later zag ik er in de verte inderdaad twee lopen. Vals alarm.

Twintig minuten later werd ik bij de oever waar de zeearend een dag eerder was gezien aangesproken door een echtpaar. Of ik op zoek was naar de zeearend. Die zat namelijk, vlakbij de plek waar ik net vandaan kwam, heel mooi in beeld... Ze hadden gelijk. Ik had de vogel eerder daadwerkelijk gezien. En was zomaar van hem weggefietst. Moet ik op m'n ouwe dag m'n ogen toch nog gaan geloven.






De tijd daarna zat hij ver weg afwisselend in een drietal bomen. Rustig om zich heen kijkend, gleed hij om de zoveel tijd naar beneden om zomaar tien minuten te verdwijnen. Waarna hij weer in een andere boom bleek te zitten. Een heel sneaky vogel! Blij dat ik geen gans ben. Hopelijk blijft hij nog een tijdje in het gebied zodat ik hem nog eens kan opzoeken. In de hoop op een betere waarneming. (En dus scherpere foto.)

---

Elk excuus om de natuur in te glippen grijp ik met beide handen aan. Dus de fiets was snel gevonden toen B. appte dat de een dag eerder gevangen, geringde en vervolgens vrijgelaten bruine boszanger te horen en soms ook te zien was. In een afgesloten gebied. Waar de plaatselijke vogelaars van de eigenaar voor één keer mochten komen. Mits we netjes op het pad bleven. En netjes met twee woorden spraken.

Bij aankomst werd ik verwelkomd door een ijsvogeltje. En in de verte klonk met regelmaat de roep van een cetti’s zanger. Dat begon goed! Thuis had ik de roep van de boszanger nog snel even beluisterd. Blijkbaar té snel, want ik maakte mezelf weer eens belachelijk door licht opgewonden naar een struik te wijzen waar een roodborst zijn keel zat te schrapen.

Na een tijd wachten met het kleine groepje vogelaars, klonken er wat piepjes uit het dichte struikgewas. Die zich om de tien, vijftien minuten herhaalden. Bruine boszangerpiepjes, volgens de kenners! En die geloof ik graag. Een enkele gelukkige kon ook nog een miniatuurglimp van het vogeltje opvangen. 

In de schemering, toen bijna iedereen al vertrokken was, kon ik zelf ook wat silhouetbeweging in een struik waarnemen. En kort daarop zagen collegaprofivogelaar J. en ik de boszanger razendsnel voorbijvliegen langs een open stukje tussen twee struiken. Een waarneming van niks dus eigenlijk. Maar de levenslijstbuit is weer binnen! Derde vet rood beletterde vogel van de week! Ik doe dat goed.

Het leuke aan zo’n twitch is ook om te bekijken hoe de die hard-vogelaars zich gedragen. Tot het uiterste geconcentreerd, knielend voor het struikgewas, met opnameapperatuur in de hand en camera om de nek. Vooral topfotograaf en -vogelaar H. hield ik goed in de gaten. Maar zelfs hij wist niet meer dan een bruin vlekje achter wat takjes op de foto te krijgen.

Steppevorkstaartplevierontdekker J. had zijn twee jonge dochtertjes meegenomen. En die gedroegen zich voorbeeldig. Liggend op de in het gras gedeponeerde jas van hun vader. Af en toe rende er een groepje vogelaars nog net niet over ze heen. Maar dat maakte ze niks uit, want ze hadden vaders smartphone in handen gekregen. 

Met wat opgenomen roepjes, die nauwelijks te horen zijn door de honderden spreeuwen die in de buurt gingen overnachten, keerde ik als een toch wel tevreden jongeman richting huis. Peinzend of ik de volgende dag zou gaan trektellen, of steppevorkstaartpleviertwitchen, of de zeearend nog eens ging opzoeken. Of alledrie.



Trektellen en zeearend bezoeken werd het. 
De terugkomst van de zweefvliegtuigveldklapekster, een overvliegende geelgors, twee raven en drie kruisbekken bezorgden mij, en de andere twee trektellers, een geslaagde ochtend. Ondanks de verder matige trek.




's Middags was de zeearend zo vriendelijk om in dezelfde boom als de vorige keer voor mij klaar te zitten.




En een stukje te gaan vliegen. Waarbij tientallen ganzen in paniek het luchtruim kozen. Hij leek te verdwijnen aan de overkant van de rivier. Maar keerde na een minuut of tien weer terug in zijn boom.





Alwaar hij in de beginnende schemering door een zwarte kraai vergezeld werd. Dat levert een beroerde fotocollage op. Maar je kunt wel mooi zien hoe enorm groot zelfs een juveniele zeearend is.




De volgende dag. Deze grote lijster ging op een paaltje zitten toen ik even was gestopt met fietsen. Een sympathieke vogel, want ik mocht zomaar een vijftal foto’s van hem nemen voordat hij wegvloog.





Hoe vaker ik de steppevorkstaartplevier bezoek, hoe verder hij steeds weg zit. Bij het opvliegen was hij met de kijker goed te volgen. Maar hem in je camerabeeld krijgen leek teveel gevraagd. Léék, want bij thuiskomst bleek er op een paar blind geschoten foto’s een bruinwit flapperend vlekje te staan. Dat ik herkende als mijn zeldzame gevleugelde vriend.

Een dag eerder was op dezelfde plek nog een zeer zeldzame verschijning gesignaleerd. Roze spreeuw. Maar naar die vogel kon ik fluiten. Benieuwd of hij zich de komende tijd nog laat zien. En fotograferen.





In het akkerland waar de steppevorkstaartplevier zat, passeerde een complete familie patrijs. Een stuk of tien vogels. Het leverde geen fraaie foto op maar het was wel een grappig en vrolijk gezicht.





Intussen was er achter het groepje vogelaars waar ik deel van uitmaakte, een slechtvalk in een elektriciteitsmast geland. Kort vergezeld door eenzelfde vogel. Waardoor je op een gegeven moment een tiental vogelaars de ene kant op zag staren, terwijl ik 180 graden gedraaid stond te slechtvalkverrekijken.




Geen gehoopte bonte strandlopers verderop in de Liendense waard. Wel een zevental casarca’s. Die steeds minder zeldzaam lijken te worden.





De echte zeldzaamheden lieten zich niet of slecht bekijken, afgelopen zondag. De gewone vogels waren mij beter gezind. Met deze mooie huismus brei ik een eind aan dit blogbericht. (Ik ben zó benieuwd wat ik in mijn volgende blog allemaal ga schrijven en laten zien!)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten